Recensie

Bedwelmende klankmeester

Pierre Boulez (1925-2016)

Deze beeldenstormer dirigeerde bloedstollende muziek en richtte een instituut voor elektro-akoestische muziek op. Spoort deze nieuwe biografie aan tot luisteren?

Dirigent Pierre Boulez in 1983 Foto Jack Garofalo/Paris Match/Getty Images

Componist van prikkeldraadmuziek. Klinische dirigent. Hardvochtige polemist. Het zijn hardnekkige associaties bij Pierre Boulez (1925-2016), de modernist die tot de meest dominante persoon van de naoorlogse muzikale avant-garde zou uitgroeien. Het triomfantelijke ‘Schönberg is dood’ en het provocerende ‘men zou de operahuizen kunnen opblazen’ zijn Boulez’ meest geciteerde uitspraken. Zijn Structures I uit 1951 is muziek van de taaiste soort.

Maar dat het beeld van Boulez de laatste decennia allang aan nuance heeft gewonnen, daarvan getuigen bijvoorbeeld de vele necrologieën na zijn overlijden. Boulez? Dat was óók een componist van bedwelmende klanken, en een veelgevraagd meesterdirigent die toporkesten met flegmatieke aansporing tot bloedstollende uitvoeringen bracht. Hij was de oprichter van een instituut voor elektro-akoestische muziek en van een topensemble. Hij was een aanstichter van de nieuwe Philharmonie in Parijs. Kortom, een alom bewonderde man.

Een van de grootste bewonderaars in Nederland is ongetwijfeld musicoloog Emanuel Overbeeke (1958). Zijn Een meester zonder hamer poogt het enigma Pierre Boulez in thematische hoofdstukken te vangen: het leven, de componist, de schrijver, de dirigent en de programmeur. Geen geringe opgave, want hoe verklaar je de drijfveren van een sterk op zijn privacy gestelde man? Hoe overtuig je de niet geïnformeerde luisteraar van Boulez’ imponerende composities? En hoe beschrijf je de fascinerende ontwikkeling van omstreden beeldenstormer naar geliefde opa?

Inhoud boven vorm

Boulez’ leven en erfenis verdienen een meeslepend verslag. Helaas is Een meester zonder hamer dat niet geworden. Het eerste probleem is stijl. Overbeeke’s vaak omslachtige taalgebruik begint al bij de vreemde titel. Die verwijst naar de pointillistische compositie Marteau sans maître maar wordt niet nader uitgelegd. Voortdurend struikelt de lezer daarna over een verwarrend willekeurig gebruik van verleden en tegenwoordige tijd, en over zinnen als: ‘Je doet dergelijke lieden [als Boulez] volstrekt tekort door hen te herleiden tot hun afkomst, want de kern van hun wezen is nu juist dat zij een onconventionele draai geven aan hun milieu van herkomst.’

Cruciaal punt in Overbeeke’s betoog: Boulez liet de vorm bepalen door de inhoud en niet andersom. Dus goot Boulez anders dan veel tijdgenoten zijn noten niet in een neo-klassieke mal, en opende hij vlak na de Tweede Wereldoorlog de aanval op de muziektradities. Boulez maakte daarbij gebruik van een mathematisch toegepaste reeksentechniek, maar dat resulteerde ironisch genoeg in muziek die tamelijk willekeurig klonk – hoor Structures I voor twee piano’s. Had hij deze vroege en beruchte compositie maar ingetrokken, verzucht Overbeeke, ‘hij had zich heel wat prietpraat kunnen besparen.’

Welke spannender composities volgden? Overbeeke geeft een uitputtend overzicht waarbij hij de lezer echter vergeet te verleiden. De metafoor dat ‘een zaad uitgroeit tot een wilde tuin’ (bij de uitleg van Boulez’ gebruik van ‘muziekcellen’ als bouwstenen) is behulpzaam maar komt meteen minstens driemaal voor. Of neem zo’n samenvatting: ‘hij behandelt klank als ritme, ritme als een fenomeen met en zonder puls, geeft contrapunt een nieuwe inhoud door alle ingrediënten contrapuntisch in te zetten, vermengt statische en dynamische factoren tot een onontwarbare synthese en stelt tegenover de overgeleverde vormen een nieuwe vormwereld’, enzovoort. Je snapt ongeveer wat er staat, maar tot gretig luisteren spoort het toch niet aan.

Kritische distantie

Overbeeke’s bewondering voor de componist, dirigent en essayist lijkt kritische distantie in de weg te zitten. Zijn stelling dat men ‘gerust kan spreken van een literatuur voor en na de teksten van Boulez’ is boud maar wordt helaas niet onderbouwd. Van ‘essays’ mag wat Overbeeke betreft niet eens gesproken worden: ‘Essayer betekent proberen en wordt – letterlijk genomen – eerder geassocieerd met zoekers dan met vinders. Boulez aarzelt niet.’ Helemaal gortig wordt het als Overbeeke Boulez met Einstein vergelijkt, ‘ook al zijn [Boulez’ teksten] meestal niet wetenschappelijk onderbouwd’.

Niet dat Overbeeke niet op de hoogte is: zijn boek lijkt de weerslag van decennialange verzamelwoede. Hij put uit talloze krantenartikelen en radio-uitzendingen die aan Boulez zijn gewijd. Ook maakt een dergelijke voetnoot bij een anekdote van een orkestprogrammeur indruk: ‘Mondelinge mededeling, circa 1980.’

Maar uiteindelijk dringt Overbeeke in al zijn idolatrie niet tot de kern door. Wat zijn specifiek de ‘ongehoorde aspecten’ die de dirigent Boulez in Wagners muziek blootlegde? Wat is dan precies het ‘juiste gevoel voor flexibiliteit van de puls’? Hoe kreeg hij de stichting van die nieuwe concertzaal in Parijs gedaan?

Overbeeke draait er meestal met veel woorden omheen, waardoor het fenomeen Boulez eerder wordt verhuld dan verhelderd.