In de geest van Cruijff

Johan Cruijff met mascotte van de Washington Diplomats, in 1980.

Om een wedstrijd te beslissen die ook na verlenging gelijk is geëindigd, wil oud-voetballer Marco van Basten de penaltyreeks vervangen door ‘shoot-outs’. Bij een shoot-out vertrekt een speler 25 meter van het doel en mag zelf weten wat hij doet om in acht seconden de keeper te verschalken. Alles mag: passeerbeweging, afstandsschot, een wippertje. In de NASL, een Amerikaanse profcompetitie die in 1984 ter ziele ging, was gelijkspelen verboden en dus werd ieder gelijkspel na verlengen beslist met shoot-outs. In Europa werden gelijke spelen toen nog beslist met het opgooien van een muntje. Echt waar.

De Amerikaanse shoot-outseries waren spectaculair. Ik heb er tientallen gezien voor een boek dat ik schreef over de Amerikaanse jaren van Johan Cruijff, en ik begrijp waarom hij ze geweldig vond. Nog in 2006 zei Cruijff: „Ze zouden het ook in Europa moeten proberen.”

Een van de voordelen is dat keepers meer kans hebben dan bij een strafschop. Ook Cruijff scoorde ze lang niet allemaal. Bovendien kreeg hij te maken met een groot nadeel: keepers kunnen besluiten een enorme beuk uit te delen. Wat maakt een rode kaart uit als de shoot-out de competitie beslist, of de finale van een WK? Het gebeurde Cruijff tegen de Cosmos, in 1980. Keeper Hubert Birkenmeier (ja, een Duitser) knalde keihard tegen Cruijff op. De bal ging niet over de doellijn. Schrale troost: Cruijffs Diplomats wonnen de shoot-outserie alsnog.

De shoot-out.