Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

‘Eigenlijk gaat het over het menselijk tekort’

Jules Deelder hoopt dat over 200 jaar zijn gedicht ‘Vogelvrij’ nog wordt gelezen. Met de regel: „Soms, al dromend kan ik vliegen”. Voor de Poeziëweek schreef Deelder dit jaar de geschenkbundel.

‘Als je nou heel diep in mijn hart kijkt”, begint Jules Deelder. Dan zwijgt hij even en vervolgt: „dan wil ik nog wel zo’n kopje koffie met zo’n glaasje cognac erbij.” Deelder houdt audiëntie in een Rotterdams café voor journalisten die hem willen spreken over Rotterdamse kost, de geschenkbundel van de Poëzieweek, die donderdag, op Gedichtendag, begint. Niet het hele journaille heeft de Nieuwe Binnenweg bereikt door de stroomstoring in Amsterdam, maar de 72-jarige Deelder is op dreef: signerend, grappend en te pas en te onpas citerend uit eigen werk. „Ik hoor dat ze de oplage van het geschenk al hebben verhoogd tot 17.000. Ik ben populair bij alle lagen van de bevolking. En niet alleen in Rotterdam. Ik heb kennelijk iets te zeggen wat in veel mensen ook leeft.”

U bent altijd een commercieel succesvolle dichter geweest.

„Iets wat goed is, waarom zou dat niet commercieel kunnen zijn? Naar poëziebegrippen heb ik over de verkoop van mijn boeken nooit te klagen gehad, al stelt het in absolute aantallen natuurlijk nog steeds geen reet voor. Een oplage van 2.000 exemplaren komt niet dagelijks voor. Inmiddels is het in de poëzie tot een minimum gedaald. Al hebben ze dat ook aan zichzelf te wijten.”

Hoezo?

„Ik kreeg bijvoorbeeld een brief van tijdschrift Passionate, waarin stond dat ze online verder gingen. Dat snap ik niet. Je verdwijnt helemaal uit de public eye. Ik heb ze een briefje gestuurd om ze te condoleren.”

U bent niet online?

„Nee. Ik zeg: ik heb in het web niets te maken, tenzij ik de spin ben. Als je anderszins in het web belandt dan ben je de lul.” Deelder schakelt over op voordrachtstoon: „Zalig zijn de digibeten. Zij erven straks de echte wereld. De rest de virtuele.”

Wist u dadelijk dat deze bundel over Rotterdam moest gaan?

„Zeker. Kijk naar wat achterop staat: ‘Lang leve de dichter!’ ‘Waarvan?’ En dan draai je ’m om en staat er – Bam! – Rotterdamse kost. Maar eigenlijk gaat het natuurlijk over het menselijk tekort.”

Vindt u dat humoristische poëzie ernstig genoeg wordt genomen?

„Er is zeker nog wel sprake van een bepaalde opvatting van poëzie waarin de lach met wantrouwen wordt bezien. Dat heb je vooral bij academische beschouwers, de closereaders. Maar er heeft ook altijd een orale traditie bestaan, die nu door podiumdichters wordt voortgezet. Dan wordt er weer gezegd dat hun poëzie op papier tegenvalt. Gelul. Wat goed is op het podium is ook goed op papier. Het resultaat moet eruitzien alsof het er altijd al geweest is. En dat is natuurlijk ook zo. Alles is er al, je moet het alleen benoemen.”

Hoe gaat u te werk? Schrijft u op wat u bedacht heeft of dicht u aan uw werktafel?

„Ik heb geen werkmethode. Het is een kwestie van… Er valt je een regel in, die min of meer om antwoord vraagt. Soms schrijf je een gedicht in één keer op, hoeft er geen woord meer bij en geen woord meer af. Meestal is het schaven. Ritmisch moet het kloppen, je moet lettergrepen tellen. Als het lukt, dat alles op zijn plaats valt… daar doe je het voor. Zoals wanneer je een deur achter je dicht trekt, pats, en dat dat geluid precies goed klinkt.”

Volgt u de nieuwe dichters?

„Niet allemaal. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren en dat zal zo blijven. Het gaat er toch om wat er overblijft. Dat er over tweehonderd jaar, als er dan nog mensen zijn, dat het ze dan nog wat zegt. Ik weet dat ik een paar dingen heb geschreven die best bedoeld zijn voor…”

Welk werk van u?

„Er is natuurlijk werk uit verschillende perioden. Laatst heb ik er een geschreven, Vogelvrij heet dat.

Soms, al dromend kan ik vliegen

en al vliegend ben ik vrij

Niets te willen

Niets te weten

Niets te moeten

dan er zijn

Onder mij zie ik het stromen

in een zuiver perspectief

Boven mij een onafzienbaar

peilloos diep, onpeilbaar niets

Soms, al wakend kan ik voelen

als een vogel in mijn droom

Hoe het is om niets te hoeven

en te zien hoe alles stroomt.

„Hé, nou – met die dichtader van mij is niets loos. Taal, het zijn maar 26 letters, het ligt eraan hoe je ze achter mekaar zet – ze kunnen dingen oproepen die niet op te schrijven zijn. Ik heb nu een expositie van beelden in de Kunsthal. Dan vragen mensen wat het voorstelt. Kan mij wat verrotten. Als je vindt dat iets een hond is, dan is het goed. Die beelden zijn ook gedichten: zeg het maar, wat het is.”

Herleest u uw oude werk?

„Zeker! Ik kom nog regelmatig dingen tegen waar ik om moet grinniken. Mijn zielenroerselen interesseren verder niemand. Behalve het stuk dat overeenkomt met hun zielenroerselen, toch? En daarvan de vertolker te mogen zijn. Daarvoor moet ik de Here God toch wel, zo hij bestond, uit het diepst van mijn gedachten danken. Eerlijk gezegd amuseer ik me uitstekend. Ik ben al veel ouder dan ik ooit had kunnen denken.”