De affaire

Hoe houd je je relatie fris, en liefst ook nog fruitig? Het is een vraag die menige relatietherapeut een goedbelegde boterham oplevert, dus mag de columnist vandaag ook eens een graantje meepikken. Ik doe dit aan de hand van een andere columnist, de Amerikaan Art Buchwald (1925 – 2007). Buchwald was een satirische columnist die met alles en iedereen de spot dreef, in het bijzonder de politiek. Er zijn tal van bloemlezingen van zijn columns in omloop, nog onlangs scoorde ik bij een kraampje op het Waterlooplein de bundel Down the Seine and Up the Potomac with Art Buchwald uit 1977.

Daarin staat de vermakelijke column ‘The Affair’, waarin Buchwald sardonisch vaststelt dat de romantiek vaak wegsijpelt als getrouwde stellen eenmaal kinderen hebben gekregen. Een vriend van hem had daar wat op gevonden. Eenmaal per week belt hij zijn eigen vrouw vanaf zijn werk op en fluistert: „Dit is George. Is je man thuis?” „Nee”, zegt zijn vrouw dan, „de zak is naar zijn werk.” „Ik moet je vanmiddag zien”, zegt de man. „Ik kan niet”, zegt de vrouw, „ik moet thuis zijn als de kinderen uit school komen.”

De man dringt aan, hij wil dat ze de buren inschakelt om op de kinderen te passen. De vrouw zegt dat ze erg bang is, maar ze spreken ten slotte toch in de stad een locatie af waar niemand hen zal herkennen. Haar man rijdt naar de plek, zij heeft haar auto twee blokken verderop geparkeerd.

Ze springt haastig de auto in terwijl ze zenuwachtig zegt: „Schat, ik denk dat iemand me gezien heeft.” „Rustig maar”, zegt de man en hij zet koers naar een motel in de buurt. „Maar ik heb geen bagage”, protesteert ze. „Ik check in”, zegt de man, „jij blijft in de auto en daarna rijden we naar de kamer.”

Daar aangekomen schiet haar te binnen dat ze zelfs geen tandenborstel bij zich heeft. „Ik heb de hele week aan je gedacht”, zegt hij en hij kust haar. „Ik ook”, zegt zij, ik dacht dat het nooit meer zou gebeuren.” „Ik wilde je bellen”, zegt hij, „maar ik was bang dat hij aan de telefoon zou komen.” „Weet je vrouw ervan?”, vraagt zij. „Die heeft het te druk met de kinderen”, zegt hij, „en ik heb mijn secretaresse opgedragen dat ze moet zeggen dat ik naar een vergadering ben als mijn vrouw belt.”

De vrouw vraagt hoe lang dit nog kan duren. „Laten we dankbaar zijn voor wat we hebben”, zegt de man.

Wat er daarna gebeurt laat Buchwald kies in het midden – hij schreef dit in 1977 voor de Washington Post, een nog vrij preutse Amerikaanse krant. Hij laat het tweetal ’s avonds om zes uur uit het motel vertrekken en afscheid nemen. „Tot volgende week, lieveling”, zegt de man terwijl hij haar kust. „Het lijkt wel een jaar”, zegt zij in tranen.

Een uur later komt haar man thuis. „Nog wat bijzonders gebeurd?”, vraagt hij terloops terwijl hij haar een vluchtig kusje geeft. „Het was weer een saaie bedoening”, antwoordt zij, „en bij jou?” „Nee, weer een waardeloze dag”, zegt hij.

Buchwald besluit: „Hij gaapt. Ze glimlachen inwendig en gaan aan tafel.”

Veertig jaar later mag iedere lezer van deze Nederlandse krant zich afvragen of hij iets in bovenstaande beschrijving herkent. Reacties zijn welkom, en ik heb er begrip voor als ze anoniem zijn.

Lees ook: De affaire (2)