Recensie

Ritmes die vrijheid ademen, haaks op het slavenleven

Jordi Savall geeft een stem aan de ruim tien miljoen Afrikaanse slaven die tussen de jaren 1444 en 1888 de Atlantische oversteek maakten.

De geschiedenis laat zich op vele manieren schrijven. Eeuwenlang volgden we slechts de brede weg van de overwinnaars en de roem. Daarna koos historicus Emanuel Le Roy Ladurie voor de verhalen van de gewone mens. Misschien niet meer dan logisch in een tijd dat de moderne techniek ons in staat stelt steeds verder op het leven in te zoomen.

De Uruguayaan Eduardo Galeano reeg al die anekdotes aaneen tot een poëtische ketting in zijn Kroniek van het vuur, over vijf eeuwen Amerikaans continent. Hoe meeslepend ook, het blijven boeken – façades van woorden. In zekere zin doods. De Catalaanse dirigent Jordi Savall daarentegen laat weer bloed stromen in die dode lichamen, door op zoek te gaan naar de muziek die de dagelijkse hartslag van het vervlogen leven was.

Verloren en vertrapte trots

Op zijn nieuwe album Les routes de l’esclavage geeft hij een stem aan de ruim tien miljoen Afrikaanse slaven die tussen de jaren 1444 en 1888 de Atlantische oversteek maakten, die zich zagen beroofd van huis en haard, die op zee in de duistere ruimen – zoals Galeano schrijft - schreeuwend ontwaakten als ze over hun moederland droomden, die weggerukt werden van hun families, van hun tradities, die als ‘pratend gereedschap’ op de balans stonden en die leefden in angst voor draconische straffen, maar die hun verloren en vertrapte trots op vrije zondagmiddagen in de muziek konden terugvinden.

Dan zweefde de ziel weer even over het grote water naar huis, naar de plek waar hun navelstreng was begraven. En naarmate de jaren vorderden, namen deze muzikale tradities een eigen Amerikaanse afslag. Een ontwikkeling die in onze tijd onder meer de jazz, de blues en de hiphop opleverde. Savall richt zich op de periode van de slavernij zelf. Maar in die eeuwenoude muziek hoor je al de eerste invloeden, de ritmes van de pop: ook in de vroege slavenmuziek zit een beat. „Lieve God, red onze drums! ” begint het Braziliaanse lied ‘Vida ao jongo’. En in het oude religieuze Colombiaanse volksliedje ‘Velo que bonito’ herken je moeiteloos de voorouder van de eigentijdse Misa Criolla van de Argentijn Ariel Ramirez.

In Afrika blijkt de stilte altijd zwanger van geluid, en in het oerwoud waar vele slaven vandaan kwamen, regeert de wet van vraag en antwoord. De wildernis zwijgt zelden. Dat is ook kenmerkend voor de muziek op Savalls album: steeds wordt de roep van de eenling beantwoord door anderen. Veel liederen lijken de strijd tegen de angst en de wanhoop te symboliseren. De ritmes ademen een vrijheid, die haaks op het slavenleven stond. In die zin is de muziek een mooie tegenhanger voor de vijftig bladzijden die Savall in het lijvige boekwerk van zijn album vrijmaakt voor historische en actuele beschouwingen, vanaf de oude Grieken tot en met vorig jaar. Want er zijn nog altijd tal van slavenroutes in de wereld.

    • Joost Galema