Rapport Rekenkamer: het gaat niet goed met het inburgeren

Toegelaten asielzoekers moeten zelf hun inburgering regelen. Dat is ingewikkeld. De resultaten vallen daarom tegen, schrijft de Algemene Rekenkamer.

Foto: Maurice Boyer

Slechts eenderde van de asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen, lukt het om binnen drie jaar in te burgeren. Daartoe zijn asielzoekers sinds 2013 verplicht. Ze moeten Nederlands leren en examens afleggen over de maatschappij en de arbeidsmarkt. En dat moeten ze zélf regelen.

Dat het slagingspercentage slechts 33 procent is, concludeert de Algemene Rekenkamer in het onderzoeksrapport Inburgering – de eerste resultaten van de Wet inburgering 2013 dat deze dinsdag naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. De helft van de 5.415 asielzoekers die in de eerste helft van 2013 moesten inburgeren, en daar dus in de eerste helft van 2016 mee klaar moesten zijn, is dat niet gelukt. Slechts 33 procent lukte het binnen de gestelde termijn, de rest kreeg vrijstelling of ontheffing.

„Die resultaten van de inburgeringswet uit 2013 vallen tegen”, constateert collegelid Kees Vendrik van de Algemene Rekenkamer droog. Dat is vooral het geval doordat ook het aantal inburgeraars dat een hóger niveau inburgeringscursus volgt dan het verplichte niveau, terugliep van 20 procent in de jaren 2007-2012 naar slechts 2 procent sinds 2013.

Dat is nadelig, omdat een hoger inburgeringsniveau de kans verhoogt om een beroepsopleiding af te ronden of werk te vinden. De invoering van de wet in 2013 viel samen met flinke bezuinigingen op inburgering die de overheid al vanaf 2011 inzette.

De inburgeringswet van 2013 werd ingevoerd opdat vluchtelingen met een verblijfsvergunning zo snel mogelijk zouden kunnen meedoen. Maar het is niet mogelijk, aldus de Rekenkamer, om te kijken of die wet ook werkelijk heeft bijgedragen aan die gewenste participatie omdat allerlei gegevens ontbreken. Zo is onduidelijk wat het opleidingsniveau is van de inburgeraars bij aanvang van de cursus, of ze tijdens of na de inburgeringscursus een ándere opleiding volgen, werken of een uitkering krijgen.

Een van de grote knelpunten die de Rekenkamer constateert, is de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeraar

Een van de grote knelpunten die de Rekenkamer constateert, is de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeraar om zijn eigen cursus te regelen. Vers uit het asielzoekerscentrum moet de inburgeraar zelf een cursus kiezen in een woud van cursusaanbieders. Zij zijn daar vaak niet toe in staat.

Tot 2013 zorgden gemeenten voor hulp aan inburgeraars. Vaak was er een ‘klantmanager’ die als aanspreekpunt fungeerde. Na 2013 veranderde dat en werd die taak in het beste geval vervuld door vrijwilligers. Als die niet voorhanden waren, moest de inburgeraar het alleen doen.

Weinig transparant

Zelfs voor die vrijwilligers was het niet altijd makkelijk te helpen bij het vinden van de meest geschikte cursus, omdat het vrijwel onmogelijk is de cursussen goed met elkaar te vergelijken. Tegelijk met de invoering van de nieuwe wet werd in 2013 de cursusmarkt geprivatiseerd – er zijn inmiddels 165 aanbieders. Het aanbod is, vindt de Rekenkamer, te weinig transparant. Zo wordt de kwaliteit niet door een onafhankelijke partij getoetst en is het niet duidelijk wat de slagingspercentages zijn.

Asielzoekers met een verblijfsvergunning en eventueel nareizende familieleden moeten de cursus zelf betalen. Ze kunnen daarvoor een lening krijgen van maximaal 10.000 euro. En als het ze lukt om binnen drie jaar te slagen, wordt de lening omgezet in een gift. Lukt dat niet, dan moeten ze die lening terugbetalen én kunnen ze een boete krijgen. Ook over het effect van die sancties is de Rekenkamer kritisch. Vendrik: „Het is onduidelijk of de sancties effectief zijn. Het kan zijn dat mensen daardoor meer hun best doen. Het kan ook zijn dat ze het hogere niveau mijden om een boete te ontlopen.” Als uiterste consequentie kan een verblijfsvergunning worden ingetrokken. Vendrik: „Dat is juridisch niet uitvoerbaar.”

Minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) laat in een eerste reactie weten dat hij het eens is met de Rekenkamer dat het „beter kan en moet met de inburgering van nieuwkomers in ons land”. Hij wil onder meer weer een grotere rol van gemeenten. En hij wil zorgen voor „streng toezicht op de inburgeringsbureaus en de kwaliteit van de lessen”.