In de dood is geen thuiskomen

Dat je je zo thuis kunt voelen in iemands regels. Niet omdat ze precies zijn wat je zelf zou zeggen, juist niet. Maar omdat ze in hun andersheid, precies zeggen wat je wilt lezen. Regels die aan het lachen maken, bijvoorbeeld die over de oudere cafébezoekers die jaloers zijn op de jeugd: „Ons oog grijpt ongezellig om zich heen.” Regels die ontroeren, zoals in het gedicht waarin een vakantiefoto beschreven wordt en waar moeder steeds een beetje om moet huilen, omdat ze vindt dat vader er daarop zo alleen bij staat: „En inderdaad/ wij zien hier niet meer menselijks/ dan het spraakgebrek van de verbeelding/ die stottert dat wij zo zo onbereikbaar/ zo bestaan”.

Regels waarmee je wilt leven. Al die regels die je zo vaak tegen jezelf hebt gemompeld. Ook nu, nu hij dood is: „ik breek, maar je breekt niet, want je breekt niet.”

Robert Anker was zo enorm levend. Zo uitbundig in zijn taal, zijn schrijven, brutaal formulerend, brutaal de grammatica terzijde schuivend, de waarschijnlijkheid, de schoonheid. Alles moest steeds weer nieuw. Geen stilstand. Geen verveling. Omdat het nu juist de verveling was, de melancholie, die hem zo vaak bedreigde.

Begreep ik wel. Beter dan ik zelf zou willen. Maar hij ontmaskerde die verveling als angst en na het verzet - „De dood is een schandaal!” riep hij jarenlang – had hij een manier gevonden om zich te verzoenen met zijn sterfelijkheid. Zei hij. En dat bleek inderdaad waar te zijn toen zijn lichaam hem aanviel en zijn eigen gedicht van een jaar of zes geleden, ‘Lichaam mijn verrader’, werkelijkheid was geworden.

Hij wilde die tekst niet overlezen zei hij. Ik heb het natuurlijk wel gedaan. Het in-leven-zijn, dat wat je aanduidt als ‘jezelf’ wordt erin beschreven als een zeilschip. Zelf blaas je de zeilen vol. „Maar waarom heb je zo’n haast? Waarom blaas je zo hard?” Het antwoord is bekend: „Dat komt doordat je weet dat de reis eindig is”. Je denkt dat je voor die tijd ergens aan moet komen, „op de verre kust waar jouw zelf, dat je al die tijd bij elkaar aan het zeilen was, je met brede gebaren staat op te wachten om je in jouw uiteindelijke haven binnen te loodsen”.

Wat zou dat zijn, je uiteindelijke haven? Is dat vrede, thuiskomst in een leven dat niet langer uit onrust en voortgang zal bestaan maar compleet is in zichzelf? Maar zo’n leven is er niet, al verlangen we daar allemaal wel eens naar en al zijn er mensen die wel denken dat dat werkelijk te behalen valt.

Robert Anker was niet één van hen. Hij geloofde in altijd voort, altijd stromen „in deze wonderlijke vrolijke wereld/ met al die mensen aan boord/ altijd wel ergens een orkestje”. En altijd, daarbij, het toch wel melancholiek te noemen verlangen om ooit thuis te komen. De thuiskomst van kapitein Rob heet een van zijn vroege verhalenbundels en het gelijknamige verhaal begint zo: „Op zevenjarige leeftijd, als kapitein Rob al wel kapitein is maar nog lang geen Rob, ontwikkelt hij een passie voor thuiskomen – en hij weet nog niet eens dat het leven voornamelijk uit weggaan bestaat.”

Weggaan ja. De verraderlijke stuurman van het scheepje dat over de wateren zeilt, „heeft maar één baken (-) het zwarte baken dat geen signaal uitzendt”.

In de dood is geen thuiskomen.

Maar toch, hoe dat lichaam ieder van ons ook zal verraden, het heeft niet het laatste woord. Want we hebben geleefd.

Degene van wie we zoveel hielden, heeft geleefd.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.