‘Zijn tongsplitsing vond ik wel moeilijk’

Rob en Marjolein van Rijn waren al verslaafd aan piercings en tatoeages toen ze zagen dat je je ook aan vleeshaken kunt laten ophangen. ‘Dit gaan we niet doen, hè?’ Inmiddels organiseren ze zelf ‘hangdagen’ en geven ze colleges over pijnbeleving.

Laatst gingen ze een creditcard aanvragen bij de bank. Het meisje achter de balie keek moeilijk. Het was duidelijk dat ze dacht: hoe krijg ik die lui hier weg? Tot ze de rekening bekeek en zag dat ze regelmatige inkomsten en een zeer fatsoenlijk saldo hadden, toen was het: „Willen jullie misschien een kopje koffie?” Rob en Marjolein van Rijn zijn, met hun opvallende piercings en tattoos, gewend aan vreemde blikken. De meeste zien ze niet eens meer. Maar over zoveel kortzichtigheid maken ze zich wel kwaad. Rob: „Prik eens door de verpakking heen, zeg.”

Rob en Marjolein zijn al jaren keurig getrouwd, hebben een dochter van dertien en een goedlopende zaak in het hartje van Haarlem. Over jongens met tattoos in hun nek en op hun handen zegt Rob: „En dan vinden ze het gek dat ze geen baan vinden!” Marjolein: „Wij willen onszelf kunnen zijn, en tegelijkertijd willen we geaccepteerd worden. Dat is koorddansen, maar daar zijn we heel bedreven in geworden.”

Ik vond het leuk om uit een rijdende trein te springen, bijvoorbeeld

Want natuurlijk is het niet alleen de verpakking. Extreme lichaamsversiering, of body modification, is ook een levensstijl. Een uiting van anders-zijn, van niet bij de mainstream willen horen. Marjolein: „Wij zijn allebei van jongs af gewend om buiten de maatschappij te staan. Ik vind het fijn om op het randje te lopen, het idee dat ik helemaal burgerlijk zou worden, is heel benauwend.”

Op het randje lopen, dat is: wel trouwen, maar Marjolein in een engelenjurk compleet met vleugels, en Rob als duivel met een rood geschminkt gezicht en hoorntjes op zijn voorhoofd. Op 6 juni 2006, de ‘dag van de duivel’, reden ze naar het stadhuis in een witte Cadillac, voortgetrokken door twee vrienden van het Dutch Body Art Suspension Team, met touwen die aan de vleeshaken in de huid van hun rug bevestigd waren. Over die haken later meer.

Als kind was Rob, zoals hij het zelf zegt, een ‘vervelend pestventje’. „Ik had schijt aan de hele wereld. Ik liep alleen maar te klieren en deed nooit wat er van me gevraagd werd.” Op zijn dertiende was hij zo vaak van school gestuurd dat hij alleen nog op een internaat terechtkon. Marjolein had „moeilijk opvoedbare ouders”, die al vroeg scheidden en niet in staat waren met hun nieuwe partners een goede gezinssituatie te bieden. Ze kwam in een pleeggezin en later in een kindertehuis. Net als Rob zocht ze in haar jeugd graag het gevaar op. „Als er ijs lag op de grote vijver bij ons huis, sprong ik met mijn broer van ijsschots naar ijsschots. Eenmaal aan de overkant gaf het een geweldige kick.” Rob: „Mij noemden ze op het internaat Evel Knievel, naar die Amerikaanse stuntman. Ik vond het leuk om uit een rijdende trein te springen, bijvoorbeeld.”

Op het internaat begon Robs interesse in tattoos en piercings, „omdat het niet mocht”. Hij en zijn vriendjes prikten gaatjes in elkaars oren en tatoeëerden hun lichaam met Oost-Indische inkt. Toch duurde het nog tot zijn vijfentwintigste voor hij zijn eerste echte piercing liet zetten. „Voor ik naar mijn werk als kok ging, bezocht ik vaak een of twee tattooshops, alleen om te kijken. Tegelijkertijd was ik er bang voor. Die angst voor de pijn – en het overwinnen daarvan – is een deel van de fascinatie. Tijdens een tattoo-conferentie in Amsterdam zag ik hoe een meisje een tepelpiercing kreeg. Ze zat onder de tattoos, dus ze was duidelijk wat gewend, maar ze gilde de hele tent bij elkaar. Dit moet fucking hell zijn, dacht ik. En meteen daarna: dat wil ik ook. Ik maakte een afspraak voor een tepelpiercing, maar durfde uiteindelijk niet. Pas de derde keer kwam ik opdagen.” Inmiddels is het piercen al bijna een kwart eeuw Robs broodwinning, zijn piercingshop was de eerste in Haarlem.

Als het mode wordt, haak ik af

Marjolein: „Ik vind het gewoon leuk om mezelf te versieren, op een manier die laat zien wie ik ben. Als het mode wordt, haak ik af. Ik had een tijdje drie kleine glimmertjes op mijn borst, vastgemaakt aan een soort implantaatje onder de huid. In de winkel zei de ene na de andere klant: ‘O wat mooi, dat wil ik ook!’ De laatste was een soort…enorme huisvrouw. Rob had ze er bij haar in gezet, en zodra ze de deur uit was, zei ik: Haal ze er bij mij maar uit.”

Piercings en tatoeages werken verslavend, zegt Rob. „Je laat iets extreems met jezelf doen. Daar ben je vooraf een hele tijd mee bezig, en op een gegeven moment gaat het echt gebeuren. Dat geeft een bepaalde kick. Het is elke keer weer een overwinning op jezelf.”

De pijnlijkste body mod bij Rob was zijn tongsplitsing, nu zes jaar geleden. Marjolein: „Ik vond het heel moeilijk toen hij vertelde dat hij dat van plan was, maar ik wilde niet dat hij zich door mij liet tegenhouden. Het is zijn lichaam. Nu ben ik eraan gewend, maar mooi vind ik het nog steeds niet, ik heb hem gewoon liever aan één stuk. Rob is er een week beroerd aan toe geweest. Hij had veel pijn, en liep ook nog een virus op.”

Spijt heeft hij nooit gehad van zijn slangentong. Rob: „Als ik met mijn dochter achterop een rondje op de motor heb gereden, gaan we vaak een ijsje eten bij het IJspaleis in Driehuis. Om dan iedereen te zien kijken als ik mijn tong aan twee kanten om het ijsje heen laat krullen, dat vind ik leuk, ja.”

Dochter Lotus is met haar dertien jaar nog te jong voor piercings en tattoos. De wereld van haar ouders interesseert haar ook niet. Ze wil vooral normaal zijn. Rob: „Ze wil dezelfde schoenen als waar iedereen op loopt. Wij snappen daar niks van.” Marjolein: „Ze heeft vaak commentaar op wat ik aan heb. Dan is mijn rokje te kort, of mijn bikini te klein.”

Die euforie is heel heftig, alsof je verliefd bent. Dat gevoel kan wel drie dagen duren

Dan die vleeshaken. Ze zijn een onmisbaar gereedschap bij Rob en Marjoleins hobby : body suspension, je lichaam aan de gepiercte huid omhoog laten takelen. Rob hoorde erover via een klant, en bekeek filmpjes op internet. „Nee. Dit gaan we niet doen, hè?” zei Marjolein nog. Nu organiseren ze al een aantal jaar workshops (‘hangdagen’) voor liefhebbers en geven ze met hun Dutch Body Art Suspension Team shows op grote feesten en festivals. Zoals komend voorjaar op Wasteland, het Amsterdamse fetisjfestival. Het is een soort circusact, met muziek en kostuums. De touwen waaraan de trapezewerkers door de lucht zwaaien, zijn bevestigd aan haken die door de huid geslagen zijn. Ja, het doet zeer, vooral de eerste haak, vertelt Marjolein. „Eerst gaat er een dikke naald door de huid, iets dunner dan de haak, zodat die, net als bij een kurk in een fles, heel strak in de opening zit.” Ook het omhoog takelen is pijnlijk. Maar als je eenmaal hangt, maakt je lichaam adrenaline en endorfine aan, een cocktail die je de pijn doet vergeten en je high maakt, zoals bij extreem sporten. Marjolein: „Die euforie is heel heftig, alsof je verliefd bent. Dat gevoel kan wel drie dagen duren.”

Dankzij hun piercingstudio weten ze hoe ze infecties moeten voorkomen: er zijn strikte hygiëneregels, tot mondkapjes aan toe. Verder moesten ze in het begin alles zelf uitvinden: hoe je aan de juiste haken komt (laten maken), op welke plekken van het lichaam de huid sterk genoeg is om aan te hangen (bijna overal, behalve knieën en ellebogen), of permanente piercings in de rug een mogelijkheid zijn, zodat de haken niet steeds opnieuw door de huid hoeven (nee).

Intussen is er de International Suspension Alliance (ISA), waar dit soort kennis gedeeld wordt. Aan de reacties van het publiek merken Rob en Marjolein dat ze anders dan in het begin niet meer als freaks worden gezien. Al is de groep die body suspension beoefent in Nederland volgens hen nog altijd niet groter dan een paar honderd mensen.

Sinds een aantal jaar geven Rob en Marjolein lezingen voor studenten Creatieve Therapie aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Een vast onderdeel van de presentaties is een suspension. Marjolein: „Er zijn altijd genoeg vrienden die mee willen als vrijwilliger. We hebben overigens wel even geaarzeld toen we de eerste keer gevraagd werden. Het moest niet een soort aapjes kijken worden. Maar de docent die ons benaderde, bleek echt geïnteresseerd in onze visie op pijnbeleving, en de studenten zijn ook altijd heel enthousiast. Aan het einde, tenminste. In het begin zie je ze denken: als ik maar niet ga kotsen.” Rob: „Het is mooi om op die manier het taboe er een beetje af te halen.” Marjolein: „Maar niet helemaal, anders moeten wij weer iets anders verzinnen.”