Column

VOC-mentaliteit

Al voor haar geboorte was er de angst dat de dochter niet assertief zou zijn, dat ze zich net als haar vader en een sliert Brabantse voorouders de kaas van het brood zou laten eten. De vriendin was bang dat ze te goeiig zou zijn, dat ze zich met haar hartje van goud heel gedienstig naar de ondergang zou laten leiden.

Een van de eerste keren dat ik de dochter escorteerde naar de boze buitenwereld dacht ik die angst bewaarheid te zien. Ik had haar in een vies speelhol tussen andere kinderen in een ballenbak gezet, waar ze – te lief voor woorden natuurlijk – de stomste jongetjes ballen aanreikte die haar even later in het gezichtje werden gegooid.

We waren inmiddels een paar maanden verder en zaterdag constateerde ik dat ons dat niet meer zou overkomen. Een bevriend stel (ook met een dochtertje) dat er net zo afgekloven aan toe was als wij, had ons uitgenodigd voor een borrel in een uitspanning bij een reep natuur tussen Amsterdam en Utrecht. Op het speelveld krioelde het al van de volwassen mannen die zich ophielden bij de uiteinden van stukken rioolpijp waar hun kroost gillend doorheen kroop. Binnen waren de kinderen helemaal de baas. Ze torden rond in hun poepbroekjes, vielen en werden daarna getroost door vrouwen en mannen die ooit aantrekkelijk moesten zijn geweest.

Met het nodige geluk veroverden we het beste plekje, want bij binnenkomst kwam er net een mama met een imposante kwak kots op haar trui omhoog uit het bankstel. We feliciteerden elkaar. Wat waren wij er nog relatief goed doorheen gekomen!

We bestelden bockbier, waarna de dochter een stukje VOC-mentaliteit liet zien waarvan ik niet wist dat ze het in zich had. Wat ze elders vond, legde ze keurig voor mijn voeten, als een kat die een dood muisje komt brengen.

Dank je wel lieverd, een houten blok.

Dank je wel, een laarsje van een ander kindje.

Dank je wel, een pop.

Dank je wel, een peper-en-zoutstel.

Terwijl ik gesprekken van twee of drie zinnen voerde over creatieve armoede, slapeloze nachten en het niet vinden van betaalbare woonruimte, meldden zich zo nu en dan vaders en moeders die zich afvroegen of er in onze berg misschien een geroofd mutsje of een schoentje zat.

Ik keek naar de dochter die inmiddels wijdbeens boven op haar berg zat. Een veel ouder meisje stond eronder en vroeg of ze haar koekje terug mocht. De dochter zei niets (ze kan nog niet praten) en propte het koekje naar binnen. Het deed denken aan Trump op Capitol Hill, ze kondigde aan dat haar behoeftes voortaan altijd op de eerste plaats staan.

Een geruststellend idee voor elke ouder.

Marcel van Roosmalen heeft een column op de Achterpagina op maandag en woensdag