Recensie

De anonieme vergelding van een nette heer

Een boze droom, ergens op het snijpunt van Kafka en Koch – dat is de nieuwe roman van Kees ‘t Hart; tot alles langzaam richting de afgrond gaat.

Op het moment zelf voelt het als een briljant idee: de muziek dan maar net zo oorverdovend hard aanzetten als die buurman die je uit je slaap houdt. Dat zal hem leren, met z’n gedreun. Tot je verder wil slapen en doorhebt dat er dankzij jou alleen maar meer lawaai bij gekomen is. En dat je er zelf, met je gedreun, niet al te fraai op staat.

Om zo’n grap draait Wederzijds, de nieuwe roman van Kees ’t Hart (1944). Maar in het nette: dit is een variant van ‘oog om oog, tand om tand’ met een grote aantrekkingskracht op beschaafde heren, zoals de 52-jarige Haagse conrector die hier de hoofdpersoon is. Als hij wéér zijn met graffiti besmeurde kabelkastje voor het huis egaal grijs staat te verven, komt hij in aanraking met Wederzijds. Een vereniging die een einde maakt aan overlast. Die anonieme vergelding organiseert. Heel modern, als een grassroots-beweging, de deelnemers zijn de motor, het is buurtpreventie 3.0.

‘Het zat perfect in elkaar’, zegt onze hoofdpersoon, als Wederzijds hem verleidt met een proefwraakneming: hij ontvangt foto’s van aangebrachte graffititags op rijkeluisauto’s – van de ouders van de kwelgeesten van het kabelkastje, natuurlijk. ‘Alles was wederzijds, ideologisch klopte het, volkomen consequent.’

Voor wat hoort wat

Maar: wederzijds, dus de deelnemers worden zelf ingeschakeld voor klusjes. Met tegenzin, maar vooruit: als beginners hoeven onze naamloze hoofdpersoon en zijn geliefde nog geen gevaarlijke of incriminerende dingen te doen, ze houden een avondje een parkeerterrein in de gaten. Of ze stallen in hun kelder een poosje een racefiets met onduidelijke herkomst. Hij werd gebracht door iemand die was ingeschakeld – de organisatie zelf is onbereikbaar, en bedient zich van wisselende namen en nummers. Ongemakkelijk, maar ach. Dat blijkt naïef, als op een gegeven moment een rechercheur van de politie langskomt met wat informerende vragen. En ‘voor wat hoort wat’ duurt eeuwig voort.

’t Hart draait de duimschroeven duivels langzaam aan bij deze toch zo brave burgerman, die trouwens zeer overtuigend wordt getekend. In een zeer realistische omgeving ook – Wederzijds ligt ergens op het snijpunt van Kafka en Koch, in zinnen die alledaags spreektalig voorkomen, maar ondertussen een sardonisch en potentieel afgrondelijk verhaal vertellen. Het is vaak om te lachen, want de beschaafde heer moet zijn decorum zien te behouden. ’t Hart bedient zich uitgebreid van de slapstick van de herkenbare, maar ongemakkelijke situatie.

Daarin is Wederzijds ook een logisch vervolg op ’t Harts vorige roman, Teatro Olimpico (2014), die geprezen werd als de geestigste roman van het jaar. De grap was dat twee theatermakers uitgenodigd werden om een voorstelling te produceren in Italië. Ze waren in hun nopjes, maar al te goedgelovig. Je kón er ook minder van houden – het leedvermaak was zodanig uitgesponnen en op den duur voorspelbaar, dat het verhaal wat monotoon werd.

Telkens ietsje erger

Dat gevaar voel je hier ook op de loer liggen, omdat de opzet van Wederzijds zo vergelijkbaar is. Het gaat van kwaad tot erger, dezelfde ironie herhaalt zich steeds, maar telkens ietsje erger. Afgezien nog van de eentonigheid, die inderdaad soms toeslaat: al dat leed, telkens die droge toon waarop de goedwillende, argeloze man verslag doet van hoe hij zich onbewust en des te tragischer vastdraait in onkiese verplichtingen en zich wel blijft opwinden over de ideologische inconsequenties die het steeds maffioser wordende Wederzijds zich permitteert – hoe leuk is dat?

Net als je denkt dat de roman erbij zou winnen wanneer het allemaal niet louter om te lachen was, maar ook eens onleuk pijnlijk en confronterend werd, maakt Wederzijds precies die draai. Het eindigt écht goed, met een dreun, die bovendien nog een poosje nadreunt. Alleen een hartgrondig stoïcijn vat die nog vrolijk ironisch op – ik ga liever voor: diep unheimisch. Hij doet je realiseren dat je een heel overtuigende orwelliaanse dystopie zat te lezen. Een boze droom, maar al te realistisch.

Wederzijds, zowel roman als vereniging, verkent de grenzen van hedendaags burgerschap, de dilemma’s van een deugdzaam burger in onze liberaal individualistische wereld. De burger die in fatsoen en vooruitgang gelooft én weet dat de politie overlast niet verhelpt. Die de voordelen van de lik-op-stukmentaliteit ziet, die wil participeren en zijn verantwoordelijkheid neemt. Die een asociale Dikke Ik noch een naïeve geitenwollen sok wil zijn. Maar er uiteindelijk niet fraai op staat. ’t Hart liet ons zo lang mogelijk lachen, terwijl hij wist dat het lachen ons zou vergaan.

    • Thomas de Veen