De zwarte sleutelrol in huishoudens

Non-fictie

Ena Jansen schreef een biografie van de huishoudster en zet zo een sociologische schets van de Zuid-Afrikaanse samenleving.

Een nanny waakt over een wit kind, 1969. Foto Ian Berry / Magnum Photos/HH

Rubens gezin is een weekendje naar het platteland als huishoudster Magrieta hem betrapt met een meisje op de bank. Ruben voelt zich schuldig en wil het haar uitleggen, maar Magrieta weigert om erover te praten.

‘Ik wil alleen maar dat je het begrijpt’, zegt hij.

‘Meneer, je kunt beter met de Heer gaan praten als er iets te zeggen valt. Ik ken mijn plek.’

‘Jij bent net familie, Margrieta.’

‘Ik heb mijn eigen familie.’

Deze dialoog komt uit de roman Donkermaan van de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink (1935-2015). De Zuid-Afrikaanse letterkundige Ena Jansen (1951) nam fragmenten uit Donkermaan op in haar boek Bijna Familie, een boek over de positie van zwarte bedienden, oppassers en hulpen in witte gezinnen in de stad.

Wie Bijna Familie uit heeft, vraagt zich af waarom zo’n belangwekkend boek niet eerder is verschenen. Jansen, die afgelopen zomer afscheid nam als bijzonder hoogleraar Zuid-Afrikaanse literatuur aan de UvA, schreef een ‘biografie van de huishoudster’ en zet daarmee ook een psychologische en sociologische schets van de Zuid-Afrikaanse samenleving neer. Of, zoals ze zelf schrijft: tot op de dag van vandaag zijn huishoudsters ‘de sterkste schakel in de ketting van intermenselijke verhoudingen’ in het land.

Niet veel van die zwarte spilfiguren hebben hun ervaringen zelf op papier gezet. Jansen zocht in archieven naar de sporen van huishoudsters in de Zuid-Afrikaanse geschiedenis. Ze ging ook af op wetenschappelijke verslagen, essays en tijdschriftartikelen, maar toch vooral op fictie. Ze rechtvaardigt haar aanpak door te wijzen op ‘de dwingende kracht’ van romans om de bestaande verhoudingen op ‘bijna realistische wijze’ te documenteren. Én op de dwingende kracht van literatuur om lezers ertoe te brengen om ‘op een meer ethische manier naar de complexiteit van de Zuid-Afrikaanse werkelijkheid te kijken, wat hun handelen kan beïnvloeden.’

Het mag als algemeen bekend worden beschouwd dat de getormenteerde Zuid-Afrikaanse samenleving in de eerste plaats is gevormd door een lange geschiedenis van rassensegregatie. Als een van de eerste historische figuren in haar boek verwijst Ena Jansen naar het jonge Khoi-meisje Krotoa dat in 1652 in dienst werd genomen door Jan van Riebeeck, de ‘stichter’ van de Kaap. Maar Jansen neemt ons snel mee de diepte in en confronteert de lezer met bittere, ongemakkelijke waarheden die tot op de dag vandaag dicht onder de oppervlakte schuilen.

Vrijwel alle witte kinderen in Zuid-Afrika zijn opgevoed in de nabije aanwezigheid van een zwart kindermeisje of hulp. Soms was de emotionele band van het kind met zijn verzorgster hechter dan die met de eigen moeder. Of was de huishoudster de enige bij wie de vrouw des huizes haar hart kon of durfde te luchten. Maar nooit werd de diepe kloof van raciale afkomst en economische achterstand gedicht. Bijna familie dus, maar nooit echte.

Hardvochtig systeem

Jansen schetst scherp hoe het hardvochtige systeem van apartheid en zijn rigide wetten het lot van de zwarte huishoudsters hebben beklonken. Om te kunnen ontsnappen aan de bittere armoede op het platteland trokken de vrouwen naar de stad. Ze mochten bij witte gezinnen werken, drongen diep binnen in hun witte privé-ruimte, maar moesten als prijs daarvoor hun eigen kinderen achterlaten. Die mochten van het witte regime niet mee verhuizen naar de stad.

Dat leidde onherroepelijk tot persoonlijke drama’s en verdriet. Maar in witte gezinnen was daar vaak nauwelijks of geen aandacht voor – zoals over het hele miserabele zwarte bestaan liever werd gezwegen.

‘Kytie, Kytie, Kytie, je was niet alleen de meid maar ook een ma voor mij’, luidt een regel uit een hit van schrijver en popmuzikant Koos Kombuis (1954) dat menig Afrikaner tot tranen toe roert. Sympathie en nostalgie overheersen. Maar Jansen oordeelt snoeihard: ‘Als gevolg van de apartheid, het thuislandbeleid, de economische ongelijkheid én vrouwen als Kytie werd de bevoorrechting van witte kinderen mogelijk gemaakt. Wanneer witte mensen over een zwarte vrouw zeggen: „zij is fantastisch met de kinderen”, bedoelen ze immers hun eigen kinderen, niet die van haar zelf. Stadsmensen hebben hoe dan ook zelden inzicht in hoe zwarte vrouwen omgaan met hun eigen kinderen, die ofwel in een ver thuisland ofwel in een township wonen.’

Sleutelrol

Tegelijkertijd speelden (en spelen) zwarte huishoudsters in hun afhankelijke en altijd ondergeschikte positie in maatschappelijk opzicht een bijzondere sleutelrol: ze waren vaak het enige ‘contact’ tussen de witte geprivilegieerde gemeenschap en de zwarte massa. Zij waren in feite de enigen in Zuid-Afrika die de kloof overbrugden tussen wit en zwart, tussen stad en platteland, tussen rijk en achtergesteld.

Zelfs geëngageerde, witte auteurs die in de jaren zeventig wilden schrijven over politieke onrust, namen hun toevlucht tot de figuur van de zwarte huishoudster, schrijft Jansen. ‘Maar de werkelijke reden dat er in die tijd zoveel huisbedienden in de literatuur voorkwamen is waarschijnlijk omdat zowel auteurs als witte lezers weinig andere zwarte mensen kenden.’

Ook Jansen voert haar zwarte huishoudster op, Nomahobe Cecilia Magadlela, twee jaar geleden teruggekeerd naar de Oost-Kaap. Als jong meisje was Magadlela begin jaren zeventig weggevlucht uit haar geboortestreek om te ontkomen aan een gedwongen huwelijk.

Jansen maakt in haar somber stemmende boek duidelijk dat raciale wetten gelijkwaardige omgang onmogelijk maakten, maar dat witte mensen zich ook maar al te graag achter die wetten verscholen om hun morele lafheid te verdoezelen. Ruim een kwart eeuw na de afschaffing van de apartheid, is er veel veranderd, maar is er ook veel hetzelfde gebleven voor de ongeveer één miljoen huishoudsters die het land nu telt.

Hoopvolle ontwikkeling

‘Sociaal-economische ongelijkheid en onwetendheid zijn nog steeds in alle hevigheid aanwezig’, concludeert Jansen. De lonen van zwarte huishoudsters zijn nog steeds schrikbarend laag en hun arbeidsomstandigheden zijn nauwelijks verbeterd. En als ze klagen krijgen ze te horen: ‘Ga het maar aan (president) Zuma vragen’.

Er is ook een hoopvolle ontwikkeling. Sindiwe Magona (1943) was een van de eerste zwarte, Zuid-Afrikaanse schrijvers die (in haar To My Children’s Children, 2006) uitvoerig vertelt over haar jaren als bediende in Kaapstadse woonwijken. Over een laag opgeleid, Afrikaans echtpaar merkt ze op: ‘De enige reden waarom ik voor hen werkte en zij niet voor mij was dat ik zwart was en zij wit.’

Steeds meer jonge, zwarte schrijvers geven inmiddels zelf een stem aan de zwarte huishoudster. ‘Ze zijn niet meer de bijna spookachtige figuren die zowel in de werkelijkheid als tekstueel naar de achtergrond verdwijnen nadat ze gehoorzaam hebben gedaan waarvoor ze in dienst zijn genomen’, schrijft Jansen. Die zwarte schrijvers, zegt ze, zijn ‘de ongeëvenaarde seismografen van de veranderingen in het land [...]. Zij gunnen bedienden een roldoorbrekende positie en wijken daarmee af van een lange literaire traditie.’

Eén van schrijvers van de jongere generatie, Zukiswa Wanner (1976), draait de rollen om. In haar roman The Madams (2006) figureert een zwarte vrouw die een witte Afrikaanse vrouw als huisbediende neemt. ‘Ik heb het gewoon niet in me om een „zuster” in mijn huis te beledigen’, verklaart de werkgeefster haar keuze.