De baasjes vechten, en dan valt de hond aan

Wie M.B. (41)

waar: meervoudige kamer Amsterdam

Kwestie: mishandeling en ophitsen hond

Nog dagen had ze last van een branderig gevoel op haar hoofd, daar waar ze aan haar haren door de kamer was gesleurd. Maar dat was het ergste niet. Ze had ook een gebroken rib en in haar benen zaten bijtwonden, van de Engelse stafford, de bullterriër van haar vriend M.(41).

Ze waren ooit heel verliefd op elkaar, maar de jaloezie kreeg bij M. de overhand – op het paranoïde af. Op een zaterdag in februari escaleerde een ruzie.

M. stond op dat moment onder grote druk, hij organiseerde een dance-event met internationale gasten. En, vertelt hij aan de rechters van de meervoudige kamer in Amsterdam, hij gebruikte in die periode „vrijwel dagelijks” drugs. „Ik was helemaal doorgesnoven.” Nu is hij clean, zegt hij in de rechtszaal. Hij maakt wel een wat wazige indruk. Op vragen antwoordt hij licht afwezig. „Jaja, het was verschrikkelijk, vreselijk, wat kan ik zeggen.”

Op de bewuste zaterdag beschuldigde hij zijn vriendin ervan dat ze vreemdging. Hij had drugs gebruikt, zij had gedronken. Hij pakte haar sleutels en telefoon af. Deed de deur op slot. Beschuldigde haar. Trok haar aan haar haren naar de grond en ging op haar borst zitten, sloeg in haar gezicht, beet in haar wang. Ze vreesde, vertelde ze later, voor haar leven. Zeker toen zijn hond in haar bovenbeen beet. „Het voelde alsof een groot knaagdier aan mij begon te knagen.” Ze had verwacht dat M. zijn hond zou corrigeren maar volgens haar zei hij: ‘Goed zo Steffie, bijt maar.’

M. bekent alles, behalve het ophitsen van de hond. „De hond ziet haar baasjes vechten, raakt in paniek en valt aan.” Dat hij zijn hond aangemoedigd zou hebben, is niet waar. Althans, hij kan zich dat „zo niet herinneren”.

De officier wil daar graag meer over weten: „U zou kwaad zijn geworden omdat zij naar de hond schopte, toen die haar beet.”

M: „Ik weet echt niet meer hoe alles is gegaan.”

Officier: „Maar hoe kunt u dan zo zeker weten dat u de hond níét hebt opgehitst?

„Jaja”, zegt M. „Goeie vraag.”

Na uren mishandeling en bedreiging kan de vriendin ontkomen. Ze rent naar buiten, en belt vanuit een cafetaria 112. Haar vriend wordt „binnen tien minuten” gearresteerd, maar zijn hond wordt niet in beslag genomen. Tijdens het door hem georganiseerde evenement zit hij vast. Zijn vriendin wordt naar een Blijf-van-mijn-lijfhuis gebracht. Maar wat het werk van hulpverleners soms zo ingewikkeld maakt: de vrouw verbreekt de relatie met M. niet. Ze modderen nog enkele maanden door. Aan-uit, aan-uit, uit. „Liefde is niet van de ene op de andere dag over”, zegt de vrouw daarover. Ze vordert 2.000 euro immateriële schade van M. en nog wat geld voor kapotte kleding en ziekenhuiskosten.

De reclassering omschrijft het leven van M. als „een aaneenschakeling van risicofactoren”. Door zijn drugsverslaving is hij de greep op zijn leven kwijt. Zijn bedrijf is failliet verklaard, hij moet zijn huis uit en hij heeft „geen sociaal netwerk meer”. In een slachtofferverklaring spreekt zijn ex-vriendin de hoop uit dat hij verplicht wordt af te kicken.

De rechtbank acht mishandeling bewezen. Wat het ophitsen betreft, is het zijn woord tegen het hare. Dát de hond gebeten heeft, staat vast. De tandafdrukken zijn nog zichtbaar op haar benen. Dat dit tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid ook, maar aan M. kan niet meer verweten worden dan ‘het onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staande gevaarlijke hond’. Dat geldt als niet meer dan een overtreding.

Daarvoor en voor de mishandeling krijgt hij 120 uur taakstraf. De officier had het dubbele geëist, plus zes maanden voorwaardelijke celstraf. M. moet zich van de rechtbank twee jaar laten behandelen voor zijn verslaving en meewerken aan schuldhulpverlening. De vordering van zijn ex-vriendin wordt niet ontvankelijk verklaard omdat hij inmiddels failliet is verklaard. Ze moet zich met haar claim bij de curator vervoegen.

Het OM gaat in beroep tegen het vonnis. Voor de hond zijn er geen gevolgen.