Trouw aan Trump is Trumps enige waarde

Op basis van honderden gesprekken met mensen uit Trumps verleden schreven 25 Washington Post-journalisten een zeer complete ‘biografie’

Het is dat Donald Trump zelf een stapel boeken heeft geschreven over zijn genialiteit, rijkdom en succes. Je zou anders, afgaande op de vernietigende geschreven portretten die over hem verschijnen, bijna medelijden met hem krijgen. Het vorig jaar vertaalde Nooit Genoeg, van Michael D’Antonio, schetste Trump als de verpersoonlijking van de oppervlakkigste, dominantste en meest narcistische trekken van de Amerikaanse samenleving. Het nu vertaalde boek van David Cay Johnston, een onderzoekjournalist met een Pulitzer Prize op zak voor zijn verhalen over het Amerikaanse belastingstelsel, tekent Trump als een rasoplichter met dictatoriale neigingen.

Johnston concentreert zich op Trumps vastgoed- en casino-avonturen in de jaren tachtig en negentig, van zijn flirts met New Yorks maffiose aannemers tot zijn protectie, om nooit opgehelderde redenen, van de veroordeelde drugscrimineel Joseph Weichselbaum. Een goed voorbeeld van Trumps op bluf en dreiging gebaseerde werkwijze is de manier waarop hij een vergunning verwierf voor zijn eerste casino in Atlantic City, door Trump zelf overigens als bewijs van zijn genialiteit beschreven in The Art of the Deal: in plaats van zich nederig bij het loket te melden, liet Trump de top van justitie in New Jersey bij zich langskomen. Hij dwong een versnelde, oppervlakkige procedure af door te dreigen de bouwplannen in te trekken. Op de documenten loog Trump dat hij nooit betrokken was geweest bij federaal gerechtelijk onderzoek – dat was al vier maal het geval geweest, en het had ook in de kranten gestaan al kwam het nooit tot een veroordeling. Toch kreeg Trump de vergunning.

Sjoemelen

Johnston schrijft het allemaal schuimbekkend op, ondertussen heel Trumpachtig opscheppend over hoeveel hij boven tafel weet te krijgen en over zijn vooraanstaande positie als onderzoeksjournalist. Maar, wellicht doordat hij zo verblind is door die beide ego’s, verzuimt hij de wisselwerking tussen de sjoemelende Trump en de perverse trekken van de Amerikaanse overheid te beschrijven. Voor durfkapitalisten als Trump knepen justitie en controlediensten steeds een oogje toe. De ruime mazen in de wet plus de heersende ondernemersideologie maken dat iemand als Trump, die zich decennia kon verrijken zonder noemenswaardig belasting af te dragen, eerder gold als imposant dan als schurkachtig.

Wie evenwel niet zozeer zijn eigen weerzin bevestigd wil zien, maar eerder inzicht wil krijgen in Amerika’s nieuwe president, doet er beter aan naar de ‘biografie’ te grijpen die door vijfentwintig Washington Post-journalisten in drie maanden tijd in elkaar werd getimmerd en die gelukkig wél doorloopt tot aan Trumps overwinning en het begin van de transitieperiode. Doordat zoveel mensen eraan werkten ontbreekt een eenduidige interpretatie van de man, maar in geval van Trump, over wie het oordeel vaak zo sterk is, is dat een voordeel. De journalisten voerden honderden gesprekken met mensen uit Trumps omgeving in heden en verleden. Dat betaalt zich uit. Zo vergelijkt Jeff Gaspin, reality-producent van NBC, de zender die Trumps programma The Apprentice maakte, Trump met de Brit Simon Cowell, het horkerige jurylid van talentenshows als X Factor. Net als Cowell is Trump ‘negatief inspirerend’, zegt Gaspin. Zijn tirades zijn bot en kwetsend, maar worden als eerlijk ervaren, en hebben het – niet te onderschatten – effect van saamhorigheid door gedeeld leedvermaak op de groep die niet getroffen wordt.

Imago

Het boek beschrijft Trumps tijd bij The Apprentice, als nationaal cliché van bullebakkende baas, als doorslaggevend voor zowel zijn presidentiële ambities als voor het succes daarvan. Het programma veranderde Trump van een persoon in een personage, het verruilde zijn imago van losbandig rijkeluiszoontje voor dat van selfmade man, van steenrijke straatvechter. ‘Hij won,’ schrijven de journalisten ‘Omdat hij bijna veertig jaar lang bezig was geweest om een imago te creëren van een man die zo rijk, zo brutaal en zo onvoorspelbaar was, dat niemand iets over hem te zeggen had.’

Trumps tv-periode, stelt het boek, verklaart ook waarom hij president kon worden met zo’n louche verleden en als spin in zo’n wereldwijd netwerk van dubieuze zakenconnecties. Hillary Clinton is een politica, voor haar was alleen de schijn van een verkeerde email al fataal. Donald Trump valt in een ander moreel kader, dat van de celebrity. In het klatergouden universum van het entertainment is het overschrijden van grenzen, het breken met regels en conventies, en ach, een sensationele aanvaring met de wet hier en daar, juist een nieuw bewijs van aantrekkingskracht, een extra reden voor fascinatie.

Volgens Johnston heeft Trump twee drijfveren: geld en wraak – niet voor niets is ‘oog om oog’ de enige bijbelse frase die hij ooit citeerde. The Washington Post schetst Trump vollediger, als een verzameling paradoxen, een man die wel degelijk wezenlijke aspiraties heeft – zo liet hij de slogan Make America Great Again in 2012 deponeren –, maar die steeds wordt afgeleid door zijn twitterduivel. Beide boeken constateren dat er voor Trump maar één belangrijke morele waarde bestaat: loyaliteit aan Trump. Een waarde, schrijft Johnston, die je eerder verwacht bij ‘maffiabazen en dictators’.