Het kan weer, avontuurlijk bergwandelen in Libanon

Waar oorlog wijkt, keren toeristen terug. Avontuurlijk bergwandelen kan weer in Libanon.

Foto Anthon Keuchenius

Het ontbijt is een grote pan dampende griesmeelpap. De pap blijkt zout, er drijven tenen knoflook in rond. Een goede bodem voor twintig kilometer klimmen en afdalen, zegt gastheer Mahmoud.

Libanon is een geweldig land voor bergwandelaars. Er ligt een langeafstandswandelroute met 470 avontuurlijke kilometers aan spectaculaire uitzichten. Waar oorlog wijkt, keren toeristen snel terug, zelfs in het Midden-Oosten.

We proppen de resten van het overvloedige banket gisteravond in de lunchtrommeltjes en springen achterop de Toyota-pickup van Mahmoud. Hij brengt ons naar de route van de Lebanon Mountain Trail, die boven de hoogste dorpen van Libanon loopt. Vandaag voert de route door het druzische Choufgebergte; grijze rotsen bevolkt door duizenden zwijnen en bedekt met donkergroene bossen van eeuwenoude Libanon-ceders. Mede dankzij voormalig krijgsheer Walid Joumblatt – zijn portret hangt op elke dorpsmuur – is dit tegenwoordig een internationaal erkend natuurgebied.

Libanon is een lange bergketen, parallel aan de Middellandse-Zee, die je vaak in de westelijke verte ziet glinsteren. Werp je de blik naar het oosten dan ontwaar je het rechthoekige groen van de Bekaa-vallei – voedselschuur, wijngaarden, hasjplantages en tegenwoordig ook vluchtelingenkampen – met daarachter de contouren van bergketen Anti-Libanon. Daar weer achter schuilt het roerige Syrië.

Zelf lopen kan ook

Je kunt het pad zelf lopen, mits je een beetje kunt navigeren. Een groepje vormen en samen een gids huren is een goed alternatief. Nog eenvoudiger is aansluiten bij een van de Thruwalks van moederorganisatie Lebanon Mountain Trail (LMT), die bed, eten, lokale gidsen en bagagevervoer regelt. Plus een reisleider, die op markante punten stilhoudt voor een mooi verhaal en zorgt voor een flesje koel bier aan de finish.

Dat is ook wat Ridderkerker Wim Balvert (54, elektrotechnicus) deed nadat hij acht jaar geleden een artikel over het LMT las in de krant. „Ik heb het gidsje besteld met het idee: wie weet komt het er nog eens van. Kort daarna kreeg ik de aankondiging van de eerste volledige Thruwalk van het Lebanon Mountain Trail. Twee weken later zat ik in het vliegtuig naar Beirut.”

Foto Anthon Keuchenius

Sindsdien loopt Wim jaarlijks mee. Ieder voorjaar een weekje Springwalk, in de herfst de Fallwalk. Zijn gezin vergezelde hem tweemaal, andere keren een nichtje. Door het LMT is hij inmiddels benoemd tot ambassadeur, op wandelbeurzen staat hij vragende Nederlanders te woord. „Ik merk dat veel mensen toch hun vragen over veiligheid hebben. Maar sinds 2006 is het rustig in Libanon.”

De groepshike (tussen de tien en twintig deelnemers) is ook een interessant sociologisch avontuur. Elke dag sluiten mensen aan of zwaaien af. Behalve een handvol buitenlanders zijn de meeste hikers Libanese urban professionals van christelijke komaf, met een vorig, toekomstig of parallel leven in Frankrijk of de VS. Zo hebben we vandaag een diëtiste, een longarts en een deskundige duurzame energie in het tafelgesprek. Maar liever niet al te veel nadruk op de religieuze en culturele verschillen, Libanon heeft een even roerig verleden als Syrië’s heden.

Om het betoverende landschap zo te houden, is het verstandig de lokale Libanezen langs de route – katholieken, grieks-orthodoxen, melkieten, maronieten, druzen, sjiïeten, soennieten – te laten meeprofiteren, bijvoorbeeld door hun omzet te gunnen. Dag vijf zijn we daarom te gast bij Faycal Qontar, in zijn vier eeuwen oude pand in het druzische dorp Mtain. Troebelverse appelsap staat op tafel, noten, vijgenjam. Faycal wijst op een deurtje naar beneden. „Dat was vroeger een kerker. De haken voor de kettingen zitten nog in de muur.”

Prinselijk paleis

Faycal’s familie kocht het pand begin vorige eeuw van een lokale emir, met geld verdiend in Brazilië. Daar is een fors deel van de Libanese diaspora – strijd teistert het land al sinds mensenheugenis – terechtgekomen, waaronder Faycals familie. „Nee, die komen hier nooit, spreken zelfs geen Arabisch”, moppert Faycal. Hij bouwt het prinselijke paleis nu gestaag om tot guesthouse.

De langeafstandwandelroute – zesentwintig dagmarsen – loopt over antieke romeinse wegen, dwars door byzantijnse ruïnes, langs hellenistische tempels, want menig beschaving trok door Libanon, corridor van de geschiedenis. Met de lunchtrommeltjes vleien we onze ruggen tegen bomen zo oud, dat ze kruisridders nog onder hen door hebben zien lopen. Gids Christian Archas houdt stil bij een rots waar hij modder op smeert om de ingebeitelde Latijnse letters tevoorschijn te toveren. „Hier staat dat niemand behalve de keizer bomen mag rooien.”

Latere beschavingen lieten zich minder gelegen liggen aan het kapverbod, met fantastische uitzichten over het strogele landschap als resultaat. De stichting LMT – met een flinke achterban kapitaalkrachtige Libanezen – plant jaarlijks honderden nieuwe cedertjes op de kale hellingen. Gids Christian prefereert de taaiere jeneverbes, sommige exemplaren zijn wel tweeduizend jaar oud. Erg veel jonge exemplaren zijn er niet, bevestigt Christian. „Probleem is dat de jeneverbessen eerst door de maag van lijsters moeten. Die zijn er niet veel meer. En kwekers hebben moeite dat na te bootsen.”

Infografic NRC / Roos Liefting

Hoog boven het druzisch-christelijk dorpje Falougha overnachten we bij Tariq, een emigrant die wel terugkeerde uit de VS, de pijnboompittenplantage van zijn vader verkocht en met de opbrengst een chaletparkje bouwde. ’s Avonds warmen we ons rond het haardvuur in het trefpunt, met uitzichten alle kanten op. Uit Tariq’s keuken komen contrasterende smaken. Tariq: „Het LMT is de enige route waar mensen aankomen in plaats van afvallen.” De volgende ochtend is er weer warme pap, vandaag met tahina, notenolie en kikkererwten.

En voort lopen we door het strooien landschap, onder hoog opgeschoren pijnbomen, totdat die veranderen in herfstgetinte eikjes langs een lieflijke beekje. Hiker Janah – in het dagelijks leven filmproducent – heft tot groot genoegen van het gezelschap een stemmig Libanees lied aan.

In het van kruizen en kerkjes vergeven stadje Baskinta slapen we bij gastheer George, die in de sneeuwzekere maanden schoolkinderen uit Beiroet voorziet van kleding en ski’s op de lokale skipistes. En eten opnieuw hemels. George’s ochtendpap is wel zoet, en verrijkt met kokos en rozenwater. En ook George kent zijn klassiekers: „In Libanon eten we niet om te leven, maar leven we om te eten.”