Brieven

Maximumsnelheid op snelwegen

Die hogere limiet van 130 kilometer per uur is een fopspeen

illustraties Cyprian Koscielniak

De minister van Infrastructuur en Milieu wil op meer wegvakken van autosnelwegen de maximum snelheid verhogen naar 130 km per uur. Zie de A2 tussen Amsterdam en Utrecht, waar vanaf volgend jaar automobilisten ook overdag 130 km per uur mogen rijden. Daarmee benadeelt de minister veel weggebruikers. Allereerst is er het feit dat de behoefte aan de hogere waarde klein is. De feitelijk gereden gemiddelde snelheden van personenauto’s bij vrije doorstroming waren in 2015 slechts 1,68 km/u hoger dan bij een maximumsnelheid van 120 km/u. Dat maakt de hogere limiet tot een fopspeen. Dan is er de veiligheid. In 2015 vielen er negen doden op rijkswegen met een snelheidslimiet van 100 km/u, 29 op rijkswegen met een limiet van 120 km/u en 35 op rijkswegen met een limiet van 130 km/u. Ten opzichte van 2014 is het aantal doden bij ongevallen op wegvakken waar men 130 km/u mag rijden, gestegen van 16 naar 35. Ook het aantal (ernstig) gewonden steeg. Bekend is tevens dat de maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid circa 14 miljard euro bedroegen.

Ten slotte is er de capaciteit van een weg. De theoretische capaciteit van een rijstrook, berekend uit de waargenomen gemiddelde afstanden tussen twee voertuigen die zich met dezelfde snelheid voortbewegen, is al jaren maximaal bij een snelheid van 50 km/u. Bij een rijsnelheid van 130 km/u zal de capaciteit in normale omstandigheden kleiner zijn, bijv. 75 à 80 procent van die bij 50 km/u.

Breng de maximumsnelheid op autosnelwegen in de Randstad terug naar 100 km per uur, het maximum dat tussen 1974 en 1986 voor het hele land gold. De automobilist heeft weinig aan een hoger maximum, het aantal verkeersdoden op rijkswegen kan worden gehalveerd, het aantal ernstig gewonden kan wellicht met honderden omlaag, de maatschappelijke kosten van onveiligheid worden kleiner en de snelwegen kunnen tot zo’n dertig procent meer auto’s verwerken.

Spinvis en de metaforen

Dit gereedschap is nodig

Het is geen overdrachtelijke taal zoals Spinvis (Erik de Jong) zijn artikel (19/1) begint. Hij drukt zich uit in directe zinnen: Beeldspraak is gevaarlijk, het versimpelt, manipuleert en misleidt. De metafoor is een taalvorm die door middel van beelden tot uiting wordt gebracht. De taal verrijken. We hebben gedachten die we betekenis geven om te communiceren. Het hoognodige gereedschap wordt wat uitgebreid. Ik zie nu geen kist met hamers en beitels voor me omdat ik weet dat het over taal gaat. Spinvis verwart onze wijze van denken en voelen met het vermogen ons uit te drukken. Verzet tegen taal om die prachtige werkelijkheid te vervangen? Metaforen met de pest van het land vergelijken? Tekstdichter en theatermaker van beroep? Hoe is het mogelijk dat iemand die ‘Dagen van gras, dagen van stro’, kan schrijven tegen beeldspraak is. Is hij niet gewoon kwaad op de nieuwe tijd die zo anders is dan verwacht? Iemand maakt indruk met beleid, met intellect, met fatsoen, met klasse – maar dat bereik je niet door een instrument in de vuilnisbak te gooien.

    • Cora Duin
    • J. Nicolai