Opinie

Leer van de natuur, geef exoten een kans

Het duurt even, maar uiteindelijk omarmt de natuur uitheemse soorten, schrijft Frank Westerman. Dat geldt ook voor mensen in een maatschappij. „Stop de terugkeer van de ‘eigen-volk-eerst’-ideologie.”

Foto Getty Images

Duitsland, 1933. De directeur van de dierentuin van Berlijn, Lutz Heck, begint met het terugdringen van het aantal uitheemse soorten. Hij doet dit om meer ruimte te bieden aan inheemse, ‘Duitse’ dieren. Kangoeroes en cobra’s moeten plaatsmaken voor beren en otters. Blikvanger wordt de centrale wolvenburcht.

Er is geen zuivere parallel te trekken tussen de opkomst van het ‘eigen volk eerst’-denken in Duitsland-in-de-jaren dertig met nu. Toch zie ik de heer Heck voor me in Berlijn 1933 op een stafbijeenkomst met zijn medewerkers: ‘Willen jullie méér of minder makaken?’

Samen met zijn broer Heinz zet Lutz Heck zich ertoe het oerrund en het oerpaard, beide uitgestorven, opnieuw tot leven te wekken. In hartje Berlijn legt Lutz kuddes verwilderde koeien aan, die hij selecteert op agressiviteit, bouw en kleur van de vacht. Heinz doet hetzelfde in München met vale paardjes die afstammen van het laatste wilde paard van Europa, de tarpan.

De broers herscheppen de wilde ossen en paarden uit het Nibelungenlied, door wier aderen, ‘het zuivere bloed stroomt van de antieke bewoners van de Germaanse wouden’. Ze maken de natuur tot spiegel van de cultuur. Hun terugfokproject zou aantonen dat je uit kruisingsproducten – bastaards – de pure gestalte naar boven kunt halen. „Met passende selectie”, schrijft Lutz, „kun je de typisch Arische genen opdelven uit het gedegenereerde Germaanse volk”. In 1935 wordt dit beginsel vastgelegd in de Neurenbergse rassenwetten. Huwelijken tussen Duitsers en joden zijn dan verboden.

Demagogie gedijt op demografie. In 2010 raakt voormalig Bundesbank-bestuurder Thilo Sarrazin bezorgd over het aantal kinderen dat Duitse vrouwen baren. Vrouwelijke universitair docenten planten zich voort met een factor lager dan 1. Laagopgeleide islamitische (lees: Turkse) vrouwen krijgen gemiddeld twee komma zoveel kinderen. Duitsland wordt per saldo dommer, waarschuwt Sarrazin, want intelligentie is deels erfelijk.

Zijn boek Duitsland heft zichzelf op ging anderhalf miljoen keer over de toonbank.

Al mijdt Sarrazin zorgvuldig de termen ras en volk, de predikers van de ‘eigen volk eerst’-gedachte, die zich de laatste jaren weer overal in Europa in hoog tempo vermenigvuldigen, onthaalden hem als een verlosser. Knipogend naar de Wir sind das Volk-beweging afficheerden zij zich met de bumpersticker: Wir sind Sarraziner!

We zijn zeven jaren verder, alsook: een niet of nauwelijks te schaffen vluchtelingencrisis, massa-aanrandingen in Keulen en kleinere steden, terreuraanslagen in München en Berlijn. Wie daar garen bij spint is de partij Alternative für Deutschland. Politiek leider Frauke Petry legde de schuld van het kerstbloedbad bij de Gedächteniskirche vierkant bij Angela Merkel: zij had immers de achterdeur open laten staan.

Dit is debat. Legitiem. Maar op dit punt begint de volksmennerij: wanneer een politicus hierop een gefotoshopt plaatje van Merkel met bloederige handen rondtwittert. Drie woorden in de bovenstaande zin zijn belangrijk. Politicus. Een politicus is geen cabaretier. Fotoshoppen. Iedereen mag fotoshoppen, behalve een politicus. Rondtwitteren. Elk vogeltje zingt natuurlijk zoals het gebekt is, maar een uil kwettert niet: Wise birds don’t tweet.

Terug naar de biologieles van nazi-Duitsland. Op school moesten Duitse leerlingen fruitvliegjes kruisen. Rood-ogige met wit-ogige; biologie was teruggebracht tot genetica en populatiebeheer. Achter in het lesboek zat een voorgedrukte stamboom waarop iedere scholier de raskenmerken van hun grootouders, ouders en zichzelf moest invullen. Onder meer de oogkleur (blau, grau, braun oder schwarzbraun) en de haarkleur (weissblond, hellblond, rot, braun oder schwarz). Daarnaast: erfelijke ziektes, afwijkingen en andere ‘kenmerken vaan minderwaardigheid’.

Afgelopen december, terwijl Geert Wilders werd veroordeeld voor groepsbelediging, heb ik kamp Vught bezocht. Van juli tot december 1943 heeft mijn opa Gerrit in dit SS Konzentrationslager Herzogenbush vastgezeten, als gevangene 6643. In barak 17, zo staat er op zijn registratiekaart. Hij had thuis een envelop met geld aangenomen van zijn buurman, Hartog Koopman. Het gezin Koopman (vader, moeder, drie kinderen) droeg een gele ster op hun jas, als een kerf op een om te hakken boom. Ze doken onder. Of mijn opa de envelop voor de duur van de oorlog in bewaring wilde nemen?

Kort daarop werd hij in huis gearresteerd door NSB’ers, landgenoten. Zijn misdaad: hij had het gezin Koopman geholpen, die tot een vervolgde, uit te roeien mensencategorie behoorde. Als straf moest hij vijf maanden in een gestreepte overall kruiwagens met stenen voortduwen, bewaakt door Nederlandse SS’ers.

Ook het lot van het gezin Koopman staat op een registratiekaart. Alle vijf gezinsleden – vader Hartog, moeder Helena en de kinderen Franciska, Johanna en Meyer – delen deze sterfteplaats en -datum: Sobibor, 9 juli 1943.

Na de Tweede Wereldoorlog voerden wij onze eigen, voorlopig laatste oorlogen in Nederlands-Indië. We begingen oorlogsmisdaden. Molukse KNIL-militairen gingen daarbij door het vuur voor de Nederlandse vlag. ‘Ze’ verloren, ‘we’ verloren, en bevalen de Molukse militairen zich samen met hun vrouwen en kinderen in te schepen voor Rotterdam, vanwaaruit ze gestript van rang en eer werden gehuisvest in onder meer de leegstaande barakken van de nazikampen Westerbork en Vught. De ‘Ambonezen’ waren geen vluchtelingen,geen gelukszoekers. Ofschoon ze onvrijwillig waren gekomen, werden ze gezien als indringers. Tropische vogels, exoten.

‘Geen integratie, geen assimilatie’, scandeerden Molukse jongeren jaar-in jaar-uit in Den Haag. Wílden ze apart behandeld worden – als groep, als ballingen die terug wilden naar Ambon – mócht het niet. Om ze te laten opgaan in de samenleving bouwde de overheid keukentjes aan de barakken. Wen er maar aan, was de boodschap: aan onze sneeuw, onze mores, ons eten. In barak 1B liggen kookboeken die Nederland liet drukken met recepten voor boerenkool en appeltaart - in het Maleis.

Ook ik heb vroeger op school fruitvliegjes gekruist. Langvleugelige met kortvleugelige. Aan de landbouwuniversiteit in Wageningen leerde ik rasveredelaars kennen, studenten ‘zoötechniek’ die paarden en koeien fokten (‘grote grazers’) die qua bouw en karakter leken op hun uitgestorven voorvaderen. Niet alleen in de geest, maar ook in letterlijke zin zetten zij het werk van de gebroeders Heck voort: door gebruik te maken van Heckrunderen, nakomelingen van de als oerossen gepresenteerde beesten die op menig hakenkruisaffiche stonden afgebeeld.

De dieren zijn uitgezet in de Oostvaardersplassen ter vervolmaking van een door de mens gemaakt ecosysteem dat paste bij een rivierdelta in de gematigde streken. In het begin dook er wel eens een bont kalfje op tussen de grauwgrijze koeien. Maar binnen enkele generaties heeft dit nieuwe terugfokproject grote kuddes voortgebracht, perfect homogeen.

Het laten opgaan van groepen dieren in een ecosysteem heet in de mensenmaatschappij: integratie. We willen geen zwarte en witte scholen, maar gemengde. Geen hokken, geen getto’s. Maar het afdwingen van integratie lukt niet. Niet met boerenkool- en appeltaartrecepten in het Maleis, niet met ‘polderimams’ opgeleid aan de VU. Niemand wil heropgevoed worden.

De Molukse gemeenschap van Vught is hiervan een schoolvoorbeeld. Ging de tweede generatie Molukkers uit Westerbork in de aanval met gijzelingen en treinkapingen, de Molukse jeugd uit Vught verdedigde hun barakkennederzetting als ‘de laatste kampong’. Ze konden elders betere woningen krijgen, maar ze weigerden. In een doorzonwoning zouden ze binnen de kortste keren ‘verkazen’.

Pas na drie generaties hebben de meeste Molukkers zich op deze breedtegraad weten te nestelen. Een van de ex-treinkapers is na zijn gevangenschap dichter geworden. Een ander treedt op in een toneelstuk. „Het wordt tijd dat wij ons in Nederland gaan thuisvoelen”, zegt een Molukse actrice daarin. „Wees niet bitter. Drink eens een kop koffie met je Nederlandse buren.”

In 2015 verscheen het boek The New Wild van de Britse milieudeskundige Fred Pearce. Op het omslag: een halsbandparkiet op een besneeuwde tak. Hardcore ecologen gruwen van dit beeld. De halsbandparkiet is een exoot. Die beesten komen uit subtropisch Afrika en Azië.

Aan de hand van vele voorbeelden rekent Pearce af met de reflex van ecologen om exoten te weren uit ecosystemen waar ze niet zouden thuishoren. Dat gaat van ‘niet voeren!’ tot het verjagen en uitmoorden van soorten. Niet doen, zegt Pearce. Van de komst van de wolf tot de stadsparkiet, de natuur zal haar evenwicht op eigen kracht hervinden. Aanpassen kost enkele generaties en dat proces laat zich lastig versnellen – dat gaat evengoed op voor dieren in ecosystemen als voor mensen in de samenleving.

Integratie raakt uit de gratie. Met zijn belofte om ‘minder Marokkanen’ te gaan ‘regelen’ heeft Geert Wilders de buitenspelval opengezet. Hij wil dat iedereen die even blond is als hij, of dat zou willen zijn, bij de verkiezingen een stap naar achteren zet, zich achter hem schaart, zodat alle anderen op slag off side komen te staan.

Ik vrees de terugkeer van een ‘eigen volk eerst’-ideologie. De boel bij elkaar houden wordt: de boel tegen elkaar uitspelen. Een teken aan de wand is de voorpagina van De Telegraaf van 6 januari. Geerts Angels, luidt de kop. We zien Wilders, geflankeerd door zijn runners-up, twee blonde vrouwen met krullen. Pal onder de foto staat in grote letters: Planten verdwijnen. Met als boventitel: ‘Exotische soorten geven inheemse geen kans.’