Opinie

Jongens van twaalf willen wél lezen

Jongens die alle boeken van de Grijze Jager uit hebben, kunnen daarna weinig spannende boeken meer vinden, schrijft Tanja de Jonge. „Betaal jeugdschrijvers dan ook fatsoenlijk.”

Foto David van Dam

Laatst werd ik aangesproken door een moeder, die mijn boek besteld had voor haar zoon. Ze zei: „Die jongens houden echt wel van lezen, maar in de winkel vind ik nauwelijks leuke boeken. Alleen de boeken van de Grijze Jager, maar die heeft hij al gelezen.”

Bij veel jongens van twaalf is het leesvuur gaan branden door de serie Het leven van een Loser, maar vinden in de boekhandel bijna geen toegankelijke, lichte of humoristische boeken. De jeugdafdeling van de bibliotheek heeft meer, maar in het toegankelijke genre zie je vooral meisjesboeken.

Waarom levert de markt niet meer voor jongens, vraag je je af. Ik ben jeugdboekenschrijver in het genre toegankelijke, spannende boeken voor jongens en meisjes in de leeftijd 10-15 jaar. Mijn laatste boek staat op de tiplijst van de Jonge Jury. Ik mag niet klagen, want de Jonge Jury bereikt een lezerspubliek van 180.000 scholieren in het voortgezet onderwijs. Toch resoneert de opmerking van die moeder in mijn hoofd. Loop een willekeurige boekhandel binnen en je ziet dat zij gelijk heeft. Er staat weinig aanbod voor mijn doelgroep.

De wereld rondom het kinderboek is drastisch veranderd. Veel leraren lezen zelf geen jeugdboeken en zijn niet op de hoogte van het aanbod. Ouders nemen hun kinderen niet meer mee naar de bibliotheek en kopen weinig jeugdboeken voor hen, of vertrouwen voor hun keuze op de plaatselijke boekhandelaar, voor wie de jeugdboekenmarkt te klein is om interessant te zijn. De bibliothecaris werkt heel hard om leesbevordering opnieuw vorm te geven, vanuit een openbare bibliotheek die enorm in verandering is; er wordt meer ingezet op maatschappelijke taken, er wordt flink bezuinigd op de boekencollecties.

Het boekentekort voor jongens is al eerder opgemerkt door Stichting Lezen, maar ik hoor niemand praten over de oorzaak ervan. Een belangrijke oorzaak is ongetwijfeld de werking van de markt. Die functioneert heel eenvoudig: als er voor iets betaald wordt, wordt het gemaakt. Zo niet, dan niet. Maak je de markt alleenheerser in kinder- en jeugdboekenland, dan hebben kleine oplages geen bestaansrecht, want daar verdient niemand aan. Dus stromen er BN’ers de kinderboekenmarkt op. Zij schrijven instant-bestsellers. Die zijn interessant voor boekhandelaren, en voor uitgevers zijn ze lucratiever dan nieuwe boeken van onbekend talent. Maar ze bieden niet altijd genoeg kwaliteit voor kinderen die graag lezen. Die kwaliteit leveren professionele jeugdboekenschrijvers wel.

Bibliotheken zetten massaal in op leesbevordering. Er zijn meer jeugdleden en er is meer aandacht voor het lezen op school. Dat zou goed nieuws moeten zijn voor de jeugdliteratuur en de jeugdschrijvers! Maar veel nieuwe schoolbibliotheken dragen geen leenrechtvergoeding af. Ook ruilbibliotheken, die ontstaan waar de bieb of bibliobus verdwenen is, betalen geen vergoeding voor het gebruik van boeken. Schrijvers zien verbijsterd toe hoe hun inkomsten verdampen. Nu loont schrijven helemaal niet meer!

Tegelijkertijd kopen ouders (van bijvoorbeeld twaalfjarige jongens) zelden een jeugdboek, zetten boekhandelaren alleen bestsellers op de plank en versmallen de openbare bibliotheken hun collecties. Het is dus niet zo vreemd dat er op den duur minder jeugdboeken gemaakt worden. Er is geen markt meer voor.

Maar er zijn nog wel lezers! En voor leesbevordering blijven goede jeugdboeken nodig, en een gezond functionerende jeugdliteratuur, waar ook ruimte is voor talentontwikkeling van jonge schrijvers.

De wereld is veranderd, maar de wereld van de kinder- en jeugdliteratuur is niet voldoende mee veranderd om stand te houden. Het verdienmodel van de schrijver voldoet niet meer en moet worden aangepast aan de veranderde situatie. Wanneer schrijvers voor hun boeken en het gebruik ervan gewoon fatsoenlijk betaald worden, blijven zij in staat goede boeken te maken voor ieder kind.