Ingezonden brieven van vrijdag 20 januari 2017

De maximumsnelheid van 130 is een fopspeen, betoogt : nauwelijks snelheidswinst, meer onveiligheid. wil meer aandacht voor de tijdelijke aanstellingen van docenten aan de universiteiten. En schrijft over de Griekse mythe van Danaë als inspiratiebron van Donald Trump. Een selectie uit de ingezonden brieven van vrijdag.

Illustratie Cyprian Koscielniak

Donald Trumps goddelijke inspiratie

In NRC van afgelopen dinsdag (17/1) schrijft bioloog Kees Moeliker over plasseks bij een bepaald type apen in Costa Rica. „Mannetjes plassen krachtig op hun handen en wrijven er hun vacht mee in als signaal van beschikbaarheid”. Vrouwtjes krijgen kennelijk extra trek door de urinegeur.

Donald Trump in gezelschap van apen. Ik vind dat hem met deze vergelijking ernstig onrecht wordt aangedaan. Plasseks komt immers ook op het allerhoogste, ja goddelijk niveau, voor. Oppergod Zeus was er ook al mee doende. Zoals bekend was Zeus een nogal notoire vreemdganger. Om zijn wettige echtegenote Hera te misleiden koos hij bij ieder avontuur voor een nieuwe vermomming. En toen hij zijn begerig oog had laten vallen op de koningsdochter Danaë, pakte hij het zeer slim aan. Hij koos voor de gedaante van een ‘gouden regen’.

Niks apen dus, maar navolging van de baas van de Olympische goden. Donald Trump kent zijn klassieken. En die inspiratie komt ook naadloos overeen met het karakter van de nieuwe president van de Verenigde Staten.

Die hogere limiet van 130 kilometer per uur is een fopspeen

De minister van Infrastructuur en Milieu wil op meer wegvakken van autosnelwegen de maximum snelheid verhogen naar 130 km per uur. Zie de A2 tussen Amsterdam en Utrecht, waar vanaf volgend jaar automobilisten ook overdag 130 km per uur mogen rijden. Daarmee benadeelt de minister veel weggebruikers. Allereerst is er het feit dat de behoefte aan de hogere waarde klein is. De feitelijk gereden gemiddelde snelheden van personenauto’s bij vrije doorstroming waren in 2015 slechts 1,68 km/u hoger dan bij een maximumsnelheid van 120 km/u. Dat maakt de hogere limiet tot een fopspeen. Dan is er de veiligheid. In 2015 vielen er negen doden op rijkswegen met een snelheidslimiet van 100 km/u, 29 op rijkswegen met een limiet van 120 km/u en 35 op rijkswegen met een limiet van 130 km/u. Ten opzichte van 2014 is het aantal doden bij ongevallen op wegvakken waar men 130 km/u mag rijden, gestegen van 16 naar 35. Ook het aantal (ernstig) gewonden steeg. Bekend is tevens dat de maatschappelijke kosten van verkeersonveiligheid circa 14 miljard euro bedroegen.

Ten slotte is er de capaciteit van een weg. De theoretische capaciteit van een rijstrook, berekend uit de waargenomen gemiddelde afstanden tussen twee voertuigen die zich met dezelfde snelheid voortbewegen, is al jaren maximaal bij een snelheid van 50 km/u. Bij een rijsnelheid van 130 km/u zal de capaciteit in normale omstandigheden kleiner zijn, bijv. 75 à 80 procent van die bij 50 km/u.

Breng de maximumsnelheid op autosnelwegen in de Randstad terug naar 100 km per uur, het maximum dat tussen 1974 en 1986 voor het hele land gold. De automobilist heeft weinig aan een hoger maximum, het aantal verkeersdoden op rijkswegen kan worden gehalveerd, het aantal ernstig gewonden kan wellicht met honderden omlaag, de maatschappelijke kosten van onveiligheid worden kleiner en de snelwegen kunnen tot zo’n dertig procent meer auto’s verwerken.

Spinvis: gooi de metaforen liever niet weg

Het is geen overdrachtelijke taal zoals Spinvis (Erik de Jong) zijn artikel (19/1) begint. Hij drukt zich uit in directe zinnen: Beeldspraak is gevaarlijk, het versimpelt, manipuleert en misleidt. De metafoor is een taalvorm die door middel van beelden tot uiting wordt gebracht. De taal verrijken. We hebben gedachten die we betekenis geven om te communiceren. Het hoognodige gereedschap wordt wat uitgebreid. Ik zie nu geen kist met hamers en beitels voor me omdat ik weet dat het over taal gaat. Spinvis verwart onze wijze van denken en voelen met het vermogen ons uit te drukken. Verzet tegen taal om die prachtige werkelijkheid te vervangen? Metaforen met de pest van het land vergelijken? Tekstdichter en theatermaker van beroep? Hoe is het mogelijk dat iemand die ‘Dagen van gras, dagen van stro’, kan schrijven tegen beeldspraak is. Is hij niet gewoon kwaad op de nieuwe tijd die zo anders is dan verwacht? Iemand maakt indruk met beleid, met intellect, met fatsoen, met klasse – maar dat bereik je niet door een instrument in de vuilnisbak te gooien.

Literatuuronderwijs (1)

Christiaan Weijts luidt de noodklok (14/1) over het literatuuronderwijs op middelbare scholen en werpt vervolgens een reddingsboei uit. Hij zegt gesproken te hebben met docenten, leerlingen en beleidsmakers, en daarom verbaast zijn ‘oplossing’ me zeer. Weijts wil literatuur integreren binnen het CKV-onderwijs (Culturele en Kunstzinnige Vorming). Maar ‘wereldliteratuur’ is al achttien jaar onderdeel van dit vak! Tijdens mijn CKV-lessen heb ik nooit iets anders gedaan dan dwarsverbanden zoeken tussen literatuur, film, drama, dans en beeldende kunst. Hoewel niet iedere leerling altijd enthousiast is over kunst en cultuur krijgen docenten hun beloning later als ze hun vroegere leerlingen tegenkomen in het filmhuis, de concertzaal of in de koffiecorner van de boekwinkel waar ze zojuist de nieuwe roman van Weijts hebben aangeschaft.

Literatuuronderwijs (2)

Ach, het literatuuronderwijs. Een collega vertelde me dat zijn jongste collega-neerlandici zelf geen boeken tmeer lezen en daar ook het nut niet van inzien. Voor hen zijn boeken in omloop waar vragen in staan die zij hun leerlingen kunnen stellen, met antwoorden die de leerlingen geacht worden te geven. Waarschijnlijk zijn die boeken ook bij de leerlingen bekend. Zo hoeft nooit meer iemand literatuur te lezen en kunnen de leerlingen toch voor hun testen slagen. Het aardige van dit soort ontwikkelingen is dat het pas beter kan worden als het dieptepunt is bereikt. Misschien zijn we bijna zo ver.

Illustratie Cyprian Koscielniak

‘It giet oan’ – zo moet de Elfstedentocht vaker lukken

De Elfstedentocht wordt maar heel af en toe gereden. Dat is misschien z’n charme maar ook wel heel erg jammer. Een langere aaneengesloten vorstperiode wordt met het veranderende klimaat steeds onwaarschijnlijker. Zou het niet mooi zijn als de tocht der tochten veel vaker, misschien wel jaarlijks gereden kan worden?

Om de kans te vergroten dat het ‘oan giet’ zou je een parcours kunnen maken naast het bestaande dat veel eerder bevriest en beschaatsbaar is. Denk bijvoorbeeld aan een fietspad met een opstaande rand dat onder water gezet kan worden zodra het gaat vriezen. Een paar centimeter is voldoende. Het materiaal van het wegdek kan zo gekozen worden dat deze sneller bevriest en de koude vast kan houden. Langs de route zouden er waterpunten moeten zijn. Bij warmer weer kan dit parcours gebruikt worden door skeelers en fietsers.

Zo heb je er een toeristische attractie voor Friesland voor alle jaren en jaargetijden.

Vrouwelijke hoogleraren en tijdelijke docenten

Minister Bussemaker vindt dat er snel 100 extra vrouwelijke hoogleraren moeten komen (11/1). Voor een land dat zichzelf ziet als geëmancipeerd heeft Nederland genant weinig vrouwelijke hoogleraren. Wat mist in haar oplossing is aandacht voor de tijdelijke docent. Aan onze universiteiten wordt een groot deel van het onderwijs verzorgd door slecht betaalde tijdelijke docenten. Zij krijgen geen onderzoekstijd; hun wetenschappelijke werk moeten ze dus in hun vrije tijd doen. Maar om rond te komen, moeten ze zó veel college geven dat ze nauwelijks vrije tijd hebben. Zo lukt het vaak niet om het grote aantal publicaties te produceren dat nodig is voor een vaste aanstelling. Van de tijdelijke docenten is een onevenredig groot aantal vrouw. Mogelijke reden is dat vrouwen nogal eens zwangerschapsverlof opnemen, waardoor ze minder publiceren dan mannen en minder kans maken op een vaste baan. Laat staan dat ze hoogleraar kunnen worden.

Het commentaar van NRC (12/1) stelt dat de achterstand van vrouwelijke hoogleraren niet om geld gaat. Het grote aantal tijdelijke aanstellingen hangt echter samen met een gebrek aan stabiele financiering. De minister moet niet alleen geld uittrekken voor extra leerstoelen voor vrouwen, maar voor meer vaste contracten aan de onderkant van de academische pikorde. Zodat vrouwelijke medewerkers kunnen doorstromen naar vaste banen en uiteindelijk het hoogleraarschap.