Column

Het volk heeft elites hard nodig

Het was een historische week voor de parlementaire democratie in Duitsland, alleen viel het niet zo op. De poging om de rechtsextremistische NPD (Nationaldemokratische Partei Deutschlands) te verbieden, liep stuk op het Duitse hoogste gerechtshof. Dat gerechtshof wees de aanvraag van de Bundesrat daartoe af. De NPD was weliswaar ongrondwettelijk en racistisch in haar Gesinnung, maar veel te onbeduidend om de Bondsrepubliek serieus op haar grondvesten te laten schudden. Als een lastige vlieg, zo schudden de rechters die paar extremisten van zich af. Historisch, omdat in eerdere sessies die rechters veel zenuwachtiger op dit soort antidemocratische groeperingen hadden geregeerd. In 1952 verboden ze een neonazipartij, even later de communistische. Dat moest, zo redeneerde de nog maar net nazi-vrije republiek, want ‘die Demokratie muss bewaffnet sein’. Met de theorie van de beroemde politicoloog Karl Loewenstein in handen waren de (West-)Duitsers van mening dat je het niet mocht toelaten dat de democratie zichzelf van binnenuit uitholde. Ze herinnerden zich nog maar al te goed aan de geheel legale Machtergreifung van Hitler, in 1933.

Partijen, groeperingen en splinters van groeperingen gunnen elkaar het licht in de ogen niet.

Net aan de andere kant van de Rijn, in Nederland, heerste en heerst een hele andere opvatting. Hier gold toen en nu nog steeds het Angelsaksische motto van de ‘free marketplace of ideas’, of op z’n Polders: ‘ik mag toch zeggen wat ik wil’, inclusief pleiten voor herinvoering van de doodstraf, pedofilie of ‘kopvoddentaks’. De democratie kan dat wel velen, toch?

Of niet? Vinden we dat echt nog met z’n allen, dat alles maar gezegd moet kunnen worden? Is het Nederlandse debat inmiddels niet veel zenuwachtiger geworden dan dat bij de oosterburen? Daar wordt met een soort soevereine nonchalance gedoogd dat het een lieve lust heeft: NPD, AfD, Pegida, KPD, die Linke, – partijen die een generatie terug nog als voorboden van de totale ineenstorting van democratische orde en fatsoen werden beschouwd, mogen nu proberen de kiesdrempel te halen (wat ze soms nog lukt ook). En er wordt meestal ook nog redelijk netjes gedebatteerd. Hier worden politici van PVV en Denk en Sylvana met de dood bedreigd, en neemt het aantal dreigementen en daadwerkelijke aanvallen op lokale en landelijke volksvertegenwoordigers sinds de jaren negentig gestaag toe. Partijen, groeperingen en splinters van groeperingen gunnen elkaar het licht in de ogen niet, en proberen elkaar juridisch, publicitair en met luid geschreeuw van het toneel te verdringen.

Donderdag promoveerde Joris Gijsenbergh in Nijmegen op een proefschrift getiteld Democratie en gezag. Extremismebestrijding in Nederland, 1917-1940. Geruststellend aan zijn boeiende onderzoek zijn de parallellen met de huidige ‘toon van het debat’. Die was in die jaren echt niet minder fel dan anno 2017. Gijsenbergh is complementair te lezen aan het eerdere werk van Koen Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark, die ook al zo’n mooi rariteitenkabinet had uitgepakt van vreemde vogels en exotische partijen die het Nederlandse interbellum rijk was. Van gratis bier, tot antivrouwenpartijen, van communisten die ronduit opriepen tot revolutie en mannenbroeders die de theocratie wilden invoeren.

Racistische rechtsextremisten mogen daar hun vrijheden misbruiken omdat de veerkracht van tegenspraak en rede hoog genoeg is.

Maar, dat is Gijsenbergh conclusie, het debat werd toentertijd gevoerd door mensen die het in meerderheid over één ding eens waren, dat democratie een zaak van vertegenwoordiging was, en dat het parlement de arena was voor mensen van verstand en fatsoen die daar met elkaar gereguleerd van mening mochten verschillen. Het was een ‘creatieve crisis’ van de democratie, geen substantiële (zoals in diezelfde periode in de Republiek van Weimar). Het waren elites, die met elkaar van mening verschilden over wat een elite uitmaakte: klas, ras, opleiding, inkomen of inspanning. Maar dat elites namens hun achterban optraden en het ‘volk’ vertegenwoordigden werd alom geaccepteerd. En dat dat in het gebouw van de Tweede Kamer gebeurde eveneens. Gemopper over een ‘kloof met de burger’ was niet aan de orde. Dat elites gezamenlijk het gezag vertegenwoordigden, daar was de meerderheid van de partijen en Kamerleden het over eens. Buitenparlementair geschreeuw, preken op het plein of in de media, dat gold als flauw. Sterker nog, ‘extremistische agitatoren’ die het volk ophitsten, de persvrijheid ‘misbruikten’ en daarmee in feite het parlement buiten spel zetten, werden in de jaren dertig steeds vaker aan banden gelegd. De Kamer nam besluiten om media te censureren, uniformen te verbieden, en vrijheid van vergadering in te perken. Waarom? Omdat ze die parlementaire arena wilde beschermen tegen ‘onrijpe’ geesten, en tegen de ‘antidemocraten’.

In het huidige Duitsland oordeelt het gerechtshof dat het voorbestaan van de democratie aldaar niet op het spel staat. Racistische rechtsextremisten mogen daar hun vrijheden misbruiken omdat de veerkracht van tegenspraak en rede hoog genoeg is. Nu Nederland nog. Hier kunnen er geen partijen worden verboden [op basis van anti-democratische opvattingen]. En dat is maar goed ook. Maar wat ze in het interbellum in Nederland en tegenwoordig in Duitsland nog wel weten, was dat het volk elites nodig heeft, die in parlementaire vertegenwoordiging geloven, hoe vervelend ook.