Een schrijver die niet te veel benoemde

Anker in 2004. Foto Vincent Mentzel

Ruim tien jaar geleden schreef de vrijdag na een kort ziekbed op 70-jarige leeftijd overleden Robert Anker: ‘Ik heb altijd weerzin gehad tegen het vastleggen van mijn leven, zo tegenstrijdig als dat was met mijn overheersende idee over dat leven: dat het moest stromen, groeien, in beweging blijven.’

Beweging is altijd een sleutelbegrip geweest bij Anker (geboren op 27 april 1946), zowel in zijn stilistische virtuositeit – die zeer verschillende vormen kon aannemen – als in zijn grenzeloze werklust, die leidde tot een tiental romans in de afgelopen twintig jaar. Daarvan werd Een soort Engeland in 2002 bekroond met de Libris Literatuur Prijs. ‘Een origineel boek, van toon en taal [...] waarin met hartstocht, intelligentie, ironie en zelfspot niet alleen de levensbaan van een toneelspeler in kaart wordt gebracht, maar tevens een beeld wordt gegeven van het Nederlandse theaterleven’, oordeelde de jury destijds. Op zijn sterfdag verscheen zijn laatste boek, In de wereld, een omvangrijke historische roman die speelt in het Gent van het laatste deel van de vijftiende eeuw. In zijn meeste romans nam Anker echter zijn eigen tijd onder de loep, Vrouwenzand kon gelezen worden als een kroniek van de heftige jaren tachtig en negentig in Amsterdam, verwant aan het werk van A.F.Th. van der Heijden. Hajar en Daan (2004) was dan weer een succesvol, sprookjesachtig verhaal over de multiculturele liefde tussen een leerlinge en een docent op een middelbare school.

Hoe aanwezig de maatschappelijke werkelijkheid ook was in zijn romans, Anker moest niets hebben van de roep om ‘engagement’ in de literatuur. Vorig jaar schreef hij nog in NRC: ‘Een roman is per definitie meerduidig, geeft een beeld van de complexiteit en de tegenstrijdigheden van de werkelijkheid en gaat altijd over mensen die binnen die werkelijkheid hun leven proberen in te richten of dat nu juist niet kunnen. Belangrijk literair werk is altijd met honderden zenuwbanen aangesloten op de werkelijkheid, alle kunst komt voort uit frictie met de wereld.’

Een schrijver moest niet te intellectualistisch doen, zei Anker in 2002 in deze krant, „eerder moet je zijn als een dom, vragend kind dat om zich heen kijkt. Je moet niet te veel benoemen. Als ik schrijf, denk ik niet aan begrippen als ‘levensangst’ of ‘teloorgang’. Ik denk in stijl, beelden, toon.” Overigens had hij even eerder in hetzelfde interview zelf ‘levensangst’ genoemd als een van de drijfveren van zijn schrijverschap.

Anker combineerde dat schrijverschap tot zijn zestigste met een baan als leraar en mengde zich nadrukkelijk in de debatten over de staat en de toekomst van het literatuuronderwijs. Hij zette zich af tegen de stroming die meende dat ‘leesplezier’ centraal zou moeten staan. Die uitdrukking vond hij even absurd als ‘wiskundeplezier’. Ook werkte hij jarenlang als (poëzie-)criticus voor Het Parool.

Aanvankelijk manifesteerde de Noord-Hollandse neerlandicus Anker zich vooral als dichter. Over zijn door de literatoren van het tijdschrift De Revisor beïnvloede debuut Waar ik nog ben (1979) zei hij later: „Als ik een ekster beschreef, dan bedoelde ik eigenlijk de menselijke ziel. In die tijd was een gedicht voor mij een genre dat iets kloosterlijks heeft, religieus bijna.” Later ontdekte hij naar eigen zeggen pas zijn eigen stijl, veel minder verstild en breder uitwaaierend dan die van zijn aanvankelijke voorbeelden. Zoals in deze regels uit de in 2002 verschenen bundel De broekbewapperde mens: ‘[...] Wij hebben iets geleerd – waar is het einde van het jaar/ als alles toch weer bloeit en tiert geurt en kwettert?/ Moeder achtergelaten in de kou van het mortuarium./ Zonder de dood is het leven zinloos. Voilà./ Verder de kwestie van het doorleven. Dat we dat doen.’

Ankers laatste roman, In de wereld, eindigt met een visioen van de hoofdpersoon:

‘Soms denk ik dat ik het ken, zoals je iemand van gezicht meent te kennen maar er niet achter komt wie het is. Op de achtergrond zie ik allereerst een groot schip op zee dat van me wegzeilt en naast het schip de benen van iemand die kennelijk overboord is gevallen. Dan is er de oever waar een man op zijn rug gezien zijn hengel uitwerpt in de zee en ineens zie ik op de voorgrond heel groot en duidelijk een boer achter de ploeg, paard ervoor, scherp getekende voren liggen op het land. Achter de boer staat een herder te midden van zijn schapen die met zijn hand boven zijn ogen de hemel afspeurt. Alsof hij iets zoekt.

Dat was het. Ik ga naar buiten voor het donker wordt.’