Een ‘fluit’ is in het ene Limburgse dorp een penis en in het andere een vagina

Taalkunde

Heel veel Limburgse dorpen hebben voor heel veel begrippen eigen woorden, terwijl ook de uitspraak enorm varieert. Een online woordenboek heeft deze woordenrijkdom nu ontsloten. Lees hoeveel woorden er zijn voor slappe koffie en verschraald bier.

Hoe zeg je ‘slappe koffie’ in het Limburgs? Het lijkt wel alsof ze daar in ieder stadje en ieder dorp een ander woord voor hebben. In het hele Limburgse taalgebied, dat voor de helft in Nederland ligt en voor de helft in België, zijn er meer dan honderd verschillende woorden en combinaties van woorden die slappe koffie betekenen. Aafwaswater, klets, sjuttelewater, meerezeik, sjlappe teut, brozel, kalleverdrank, sjlappe kakkedoeles, lüëter, dunne pis, mugge-pis, slappe thei, sjpeulwater, zawel, zeik, zwadder, sjöddeköl, mókkefók, slappe tinus, slèdderèt, foezel, kloare, ketjeswater, botrammekoffie, kieleflits, ...

De woordenrijkdom van het Limburgs is duizelingwekkend. Heel veel Limburgse dorpen hebben voor heel veel begrippen eigen woorden. Dankzij het Elektronisch Woordenboek van de Limburgse Dialecten (e-WLD), vanaf deze maand online, kan iedere Nederlander nu onbekommerd ronddwalen in de woordenschat van Limburg.

Op papier bestond dit woordenboek al enige tijd, in de vorm van een serie van 33 boeken, die tussen 1983 en 2008 zijn uitgegeven. Bij elkaar tienduizend pagina's, goed voor één strekkende meter op een boekenplank. Wilde je die boeken raadplegen, dan moest je daarvoor naar een universiteitsbibliotheek of een openbare bibliotheek. Dat hoeft nu niet meer: met één druk op de knop rollen alle woorden de huiskamer binnen. Niet hoorbaar, maar toch mooi.

Het e-WLD maakt een mooi onderscheid tussen fonetische variatie (klankenrijkdom) en lexicale variatie (woordenrijkdom). Als een Limburgs-talige het over een ‘paard’ heeft, klinkt dat in het ene dorp als ‘peert’ of ‘pèrt’, terwijl een paar dorpen verderop ‘pirt’, ‘piejt’ of ‘pijet’ gezegd wordt.

Om verwarring te voorkomen geven de woordenboekmakers naast alle klankvarianten ook ‘een neutrale vorm’. Dat is het equivalent van dat woord in het Standaard Nederlands (in dit geval ‘paard’), of een vernederlandste vorm van die Limburgse varianten. De neutrale vorm van sjuttelewater (slappe koffie) is bijvoorbeeld schotelwater.

Schraal, verzouweld, verzeuterd

Voor sommige woorden zijn er in het Limburgs maar weinig varianten, voor andere woorden heel veel. ‘Bier’ is overal ‘bier’, maar is dat bier ‘verschaald’, dan zijn daar in heel Limburg 17 verschillende woorden voor. In hun neutrale vormen zien die er zo uit: verschaald, verschraald, schaal, scheel, schraal, verzouweld, verzeuterd, bedorven, kapot, dood, flauw, etcetera. In daadwerkelijk Limburgs klinkt dat zo: verschàld, versjraolt, sjaal, sjéél, schraol, verzauweld, verzeuterd, bedurven, kepòt, dôêt, flau...

In Leuven doet Karlien Franco onderzoek naar de woordenrijkdom van het Limburgs. Ze hoopt er over een jaar op te promoveren: waarom worden er voor sommige begrippen veel verschillende woorden gebruikt, en voor andere begrippen niet?

„Begrippen die heel duidelijk en vertrouwd zijn, kennen vaak weinig variatie”, zegt Franco. ‘Paard’ is daar een voorbeeld van. Maar ook het begrip ‘hoofd’. Dat is in het Limburgs ‘kop’ (kop, kup, kòòp) of ‘hoofd’ (huit, heud, hut, huut, hoof...) – en dat is het. Maar ‘een kuiltje in de kin’ is een veel minder vertrouwd en alledaags begrip en dat heeft dus veel meer varianten: kuiltje, kotje, putje, lokje, gaatje...

Begrippen met een sterke emotionele lading hebben in de regel ook veel verschillende varianten, aldus Franco. Dat is in het Standaard Nederlands al zo. In ‘blijf daar met je handen van af!’ kun je het woord ‘handen’ probleemloos vervangen door: vingers, jatten, fikken, poten, tengels, klauwen... In Limburg kom je die woorden ook tegen. Maar daarnaast nog dertig andere varianten, zoals (weergegeven in neutrale vorm): knoken, klauwen, pikkels, klauwieten, duimen, pinnen, pikken, pikkels...

In het ene dorp zeggen ze: ‘Blief der mit dien fikken vanaaf!’ In een ander dorp: ‘Blief met de kneuk der vaan af!’

In weer een ander dorp: ‘Blief dao mit dien pin vanaaf!’ Waarbij je even in de gaten moet hebben dat ‘kneuk’ en ‘pin’ meervoudsvormen zijn.

Ook koosnaampjes hebben een stevige emotionele lading en zijn (dus) erg variabel. In Limburg kun je tegen een kindje zeggen: liefje, schatje, hummeltje, kindje, engeltje, snobbeltje, dribbeltje, pommeltje, doedeltje, foemeltje, etcetera. Dat klinkt dan zo: leeveke, sjatteke, hummelke, kientje, etc.

Het hoogst scoren natuurlijk de woorden waar een taboe op rust. Het begrip ‘penis’ spant de kroon. Daar zijn in Limburg 153 verschillende woorden voor. Voor ‘vagina’ zijn het er (slechts) 80.

Al dit woordenmateriaal is verzameld in de tweede helft van de vorige eeuw. De informanten waren meestal al van gevorderde leeftijd. Het woordenboek brengt dus een fase van het Limburgs in beeld, die eigenlijk al weer voorbij is.

„Talen met een heel stabiele woordenschat, zoals het Standaard Nederlands, zijn een vrij recente uitvinding”, zegt Roeland van Hout, jarenlang projectleider van het woordenboek. „Het leven was vroeger heel lokaal. De mensen leefden binnen kleine gemeenschappen, ze spraken een zeer lokale variant van het Nederlands. Binnen zo’n gemeenschap kan de woordenschat snel veranderen. De betekenissen van woorden zijn ook niet zo scherp omlijnd als we geneigd zijn te denken. Er zitten veel vaagheden in. Dat zie je bijvoorbeeld bij woorden voor karaktereigenschappen en gevoelens. Die vormen kunnen gemakkelijk verschuiven.”

Welke Nederlander weet precies het verschil tussen blij en vrolijk, tussen jaloers en afgunstig, of tussen boos en kwaad? Al die gevoelstermen hebben in het Limburgs heel veel varianten. Onder ‘boos’ vind je in het e-WLD onder andere: kwaad, giftig, colérig, woest, lelijk, gram, grellig, nijdig, vals, venijnig, vies, vuil... (kwaod, giftig, kollärig, wus, lillek, grám, etc.)

„Taal is bovendien meer dan alleen maar het zo precies mogelijk overbrengen van informatie”, zegt Van Hout. „Er is ook altijd de neiging, bewust of onbewust, om anders te praten dan anderen.” De anderen, dat kan het dorp ernaast zijn. Iedere dialectspreker kan je precies vertellen wat ze in het naburige dorp ánders zeggen. De verschillen met andere dorpen worden vaak gecultiveerd.

Nieuwe woorden verzinnen is makkelijk

En binnen zo’n dorp zijn er altijd mensen die het graag weer op een andere manier verwoorden dan hun dorpsgenoten: goed gebekte types, origineel in hun woordgebruik. Dat wordt gewaardeerd en nagevolgd.

Nieuwe woorden verzinnen is ook helemaal niet zo moeilijk.

Met het bedenken van een aardige metafoor kom je al een heel eind. Veel Limburgse woorden voor ‘penis’ zijn metaforen, gebaseerd op een overeenkomst in de vorm: knuppel, lat, staart, fluit, frietje, trompet, geweer... Sommige varianten verwijzen naar het gebruik van de penis: pisser, plasser, zeiker, dikmaker (je kunt er een vrouw mee zwanger maken). Andere varianten verwijzen naar het grotere geheel waar het een onderdeel van is: mannetje, jongeheer, kerel, heer. Soms volstaat een persoonsnaam: jan, jantje, charel, willem. De vergelijking met een vogel is ook een mogelijkheid. In de Middeleeuwen werd de penis graag vergeleken met een nachtegaal, in Limburg is de piemel in sommige dorpen een mus, vogel, koekoek of papegaai. Weer andere varianten kiezen juist voor maximale vaagheid: ding, dingetje.

Er zijn grappige verschillen tussen de woordenschatten van de verschillende dorpen. In het ene dorp kan het mannelijk geslachtsorgaan een ‘fluit’ worden genoemd, in andere dorpen verwijst ‘fluit’ naar de vagina. In sommige dorpen is een ‘fluit’ een slons, een te los meisje of een hoer. In andere dorpen: een sukkel.

In het e-WLD is dat allemaal heel gemakkelijk op te zoeken. Je zoekt ‘fluit’ en vindt met één muisklik álle betekenissen, met de bijbehorende dorpen of steden erbij.

Al met al bevat dit woordenboek van het Limburgs 137.000 woorden voor 17.000 duizend betekenissen (‘begrippen’). En die 137 duizend woorden hebben in totaal 1.750.000 verschillende uitspraakvarianten. Een eenvoudige rekensom leert dat er voor iedere betekenis gemiddeld 8 woorden zijn, en dat ieder woord gemiddeld op 13 verschillende manieren kan worden uitgesproken.

    • Berthold van Maris