Column

Davosmensen en zombiebedrijven

Zo, dat was me het weekje wel in Davos. Met Donald Trump als president van de Verenigde Staten en Theresa May als Brexitbaas komt de onvrede van het volk over globalisering wel heel erg dichtbij. De politieke en zakelijke elite in het Zwitserse bergdorp maakt zich al jaren zorgen over ongelijkheid en andere zaken die gewone mensen aangaan. Maar nu klonk het toch als een urgenter ervaren probleem dan in voorgaande jaren. Ook al stelde Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz in The New York Times bitter vast dat daadwerkelijke maatregelen tegen die ongelijkheid (meer macht voor werknemers en herverdeling van welvaart) nauwelijks besproken werden door de elite in Davos.

Intussen gaat de zoektocht naar de schuldige achter de onvrede over globalisering door. Economen hebben een interessante nieuwe verdachte voor de lang achterblijvende groei in het vizier: zombiebedrijven. Dat zit zo.

Na de financiële crisis van 2008 duurde het herstel bijzonder lang, in Europa langer dan in de Verenigde Staten. Lonen en investeringen bleven achter, net als de motor achter economische groei: de productiviteit. Als die groeit dan produceren we met dezelfde hoeveelheid mensen en middelen meer. Het is volkomen normaal dat die productiviteit na een recessie inzakt. Bedrijven ontslaan nou eenmaal minder snel mensen dan dat hun afzet inzakt. In Europa geldt dat nog sterker dan in de VS, want hier is de bescherming tegen ontslag groter.

Maar je zou verwachten dat de productiviteitsgroei zeven jaar na de crisis toch wel aantrekt. Waarom gebeurt dat niet? Economen breken zich er al een paar jaar het hoofd over.

De Amerikaanse econoom Robert Gordon baarde veel opzien met zijn verklaring: de jongste technologische doorbraken hebben een veel minder grote impact op de productiviteit dan de grote uitvindingen in vroeger tijden – elektriciteit bijvoorbeeld. Maar economen van de Oeso doken dieper in de productiviteitsgroei, en wat blijkt? Bij een deel van de bedrijven groeit de productiviteit nog steeds hard, bij een ander deel is het kwakkelen. En dat verschil groeit. Het gat ontstond in 2003 en sinds de crisis wordt het groter.

Dezelfde economen kwamen vorige week met een theorie: het is de schuld van zombiebedrijven. Zombiebedrijven worstelen voortdurend met het betalen van de rente op hun leningen. Ze worden in leven gehouden door banken die geen verlies willen nemen op hun kredieten, en indirect door het ruime monetaire beleid. Of door hulpprogramma’s van de overheid voor het midden- en kleinbedrijf.

Normaal maakt een recessie een einde aan zombiebedrijven. Deze crisis en het beleid dat erop volgde hield ze in leven. En dat houdt niet alleen laagproductieve bedrijven in stand die weinig investeren, het zorgt er ook voor dat nieuwe bedrijven minder makkelijk de markt betreden. Dat is volgens de Oeso-economen te zien in het nog steeds lage aantal startups. De zombiebedrijven verstoppen de economie.

Het productiviteitsgat is te zien in het hele Westen, ook in Nederland, stelde het Centraal Planbureau eerder vast. Maar het is groter in Europa dan in de VS, en het grootst in landen als Italië en Spanje. Dat kan te maken hebben met hoe hard de overheid na de crisis ingreep. Om twee uitersten te noemen: de VS pakten hun banken direct aan. De Italianen niet.

Dat is de wrange les bij veel overheidshulp aan bedrijven: als die niet gepaard gaat met een harde hand komen er problemen van. Overheden kunnen banken helpen, maar moeten ze tegelijk dwingen verliezen te nemen. Overheden kunnen bedrijven helpen, maar alleen de echt levensvatbare. Wrang, want dit beleid was natuurlijk bedoeld om de klap van de crisis te verzachten en zo de onvrede te voorkomen waarover de elite in Davos zich deze week druk maakte.

Marike Stellinga is econoom en schrijft elke zaterdag op deze plek over politiek en economie.