Recensie

Mooie koorzang in excentrieke productie van ‘Acis & Galatea’

Foto Magali Dougados

Je houdt je hart vast als het vijfkoppige koor opkomt in malle wollen pakjes. Waarschijnlijk stellen ze de kudde van herder Acis voor, maar ze hebben meer weg van manisch grijnzende konijnen. Acis zelf lijkt een androgyne glamrocker op de katerige morning-after, en de melige grappen zijn niet van de lucht.

En toch komt het goed met deze productie van Händels opera Acis & Galatea, ook al kiezen BarokOpera Amsterdam en de jonge Zwitserse regisseur Julien Chavaz voor een onorthodoxe benadering.

De regie zit propvol ideetjes, maar gaat niet gebukt onder pretenties. De opeenstapeling van rare details en haast obsessieve herhalingen wordt geleidelijk effectiever en amusanter. Maar de charme schuilt bovenal in het uitstekende jonge koor, dat geanimeerd zingt in de vele ensembles.

BarokOpera Amsterdam, in 2000 opgericht door dirigent en fluitiste Frédérique Chauvet, is een klein gezelschap dat zichzelf grotendeels bedruipt en een punt maakt van authenticiteit en historische instrumenten. Structurele subsidie ontbreekt, maar met hulp van het Fonds Podiumkunsten en op basis van uitkoop of recette worden jaarlijks producties gerealiseerd. Dit Händel-project krijgt een uitgebreide tournee.

Het instrumentale ensemble speelde bij de première in Den Haag levendig en responsief, al klonk de ouverture nog wat gespannen. Op een enkele ontsporing na verliep de wisselwerking met de zangers goed, en de muzikale integriteit vormde een prettig contrast met de curiositeiten op het toneel.

Het verhaal komt uit Ovidius’ Metamorfosen. Herder Acis en nimf Galatea zijn verliefd. De cycloop Polyfemus laat eveneens een oogje op Galatea vallen, wordt afgewezen en vermorzelt Acis. Die verandert in een riviertje, wat de treurnis wat verzacht.

Het decor is een witte doos met een toenemend aantal zwarte kubussen, symbool voor de onschuld die wordt gecompromitteerd. In die kale setting oogt deze excentrieke Acis & Galatea een beetje als een obscure sequel van Barbarella. Maar te midden van de fantasy-pastiche is er soms ook ruimte voor oprechte schoonheid: het a capellakoor in Mourn, all ye Muses, of de contemplatieve oude-herdersaria.

Na de manische konijnen en de verlopen rocker verschijnt Galatea als een blauwgroen lentekrokusje, met een uitzinnige vlam van wuivend haar. Sopraan Elodie Kimmel, met een mooi, niet al te groot geluid, geeft dit precieus wankelende poppetje erg leuk gestalte. Tenor Jan-Willem Schaafsma begon als bleke Acis wat onwennig, maar herpakte zich uitstekend. Basbariton Marc Pantus schittert als Polyfemus, met één groot oog dat echt knippert en een kek Chippendale-harnas van zwerfkeien.

Zijn ad absurdum doorgevoerde aria O ruddier than the cherry is dolkomisch.