Mini-orgaan is het nieuwe proefdier

Medisch onderzoek

Organoïden gaan medisch onderzoek ingrijpend veranderen. Zoals: er zijn minder proefdieren nodig, maar meer test-embryo’s.

Beeld Kevin P. O’Rourke

Organoïden, kleine mini-orgaantjes in een laboratoriumschaaltje, bestaan nog maar tien jaar, maar ze gaan het medisch onderzoek, de medicijnontwikkeling en uiteindelijk de zorg ingrijpend veranderen. Dat heeft ethische consequenties. Daarover schreven ethicus Annelien Bredenoord en organoïde-onderzoekers Hans Clevers uit Utrecht en Jürgen Knoblich uit Wenen een artikel dat donderdag in Science stond.

De drie schetsen vier grote veranderingen in het medisch onderzoek en de zorg. Wie in de toekomst nog proefdieren wil gebruiken, moet sterke argumenten hebben. De behoefte aan menselijke embryo’s om mee te experimenteren kon echter wel eens toenemen. De scherpe grens tussen experimenteel en geregistreerd medicijn vervaagt. En ook de praktijk van de orgaantransplantatie gaat ingrijpend veranderen.

„Organoïden zijn het lang-verwachte alternatief voor proefdiergebruik”, schrijven ethicus Bredenoord en haar twee collega’s uit het lab. „Je gebruikt organoïden, of je legt goed uit waarom je proefdieren nodig hebt.” Dit zal een grote rol gaan spelen bij de beoordeling door medisch-ethische commissies en subsidiegevers.

In tegenstelling tot muizen, ratten, honden en apen hebben organoïden geen bloedvaten, geen zenuwcellen, geen afweercellen en geen omringende andere organen. Maar de effecten van medicijnen en toxische stoffen op cellen is prima te bestuderen in organoïden.

In het wetenschappelijk onderzoek zijn organoïden niet alleen een alternatief voor proefdieren, maar ook voor experimenten met menselijke embryo’s, wordt vaak gezegd. De auteurs in Science betwijfelen dat, want als chemicaliën of nieuwe medicijnen niet meer in proefdieren maar in organoïden worden getest, blijft er uiteindelijk behoefte bestaan aan veiligheidstests in ‘echt’ menselijk weefsel. Zeker als er nog geen grote ervaring is met organoïden, blijft dat in het begin nodig. Daar zijn menselijke embryo’s heel geschikt voor.

Een heel andere en nog nauwelijks besproken ethische kwestie is of organoïden dezelfde ‘status’ hebben als de al decennialang gebruikte weefselkweken. Daar zijn ook belangrijke kwesties over geweest. Er zijn veelgebruikte weefselkweken, die afkomstig zijn van kankerpatiënten die nooit toestemming hebben gegeven voor het gebruik ervan.

Dat is tegenwoordig anders geregeld. Biobanken bewaren weefsel op naam óf anonimiseren het materiaal, na uitdrukkelijke toestemming van de donor. Maar het is nog onbekend, schrijven de ethicus en organoïde-onderzoekers, wat donoren zélf vinden van het gebruik van hun organoïden. Dat moet worden onderzocht. Die vraag gaat dringen als organoïden in de toekomst voor commerciële toepassingen worden gebruikt, schrijven de auteurs. „Uit ervaring weten we dat ze snel aantrekkelijk worden voor farmaceutische bedrijven.” Organoïden kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om op grote schaal duizenden chemische verbindingen te testen, wat vaak een eerste stap is in de speurtocht naar medicijnen.