Recensie

Ik wil geen vrouw als matras

In dienst van de VOC

Hij hield meer van oorlog dan van vrede – de Zwitser Elie Ripon, in dienst van de VOC, hakte er flink op los op Java. Maar hij keek ook nieuwsgierig om zich heen.

Nederlandse oorlogsschepen bij Batavia, op een 18de-eeuwse gravure Foto Archiv Gerstenberg/ullstein bild/Getty Images

Hoewel de titel Een Zwitsers leven in de tropen doet denken aan het ontspannen leven van pensionado’s aan een palmenstrand, zullen sommigen dit boek onverteerbaar vinden. Zo is het voor aanhangers van het steeds luidruchtiger beleden neo-nationalisme niet fijn als er alweer aandacht wordt besteed aan een ‘zwarte bladzijde’ uit de vaderlandse geschiedenis, terwijl degenen die de strijd aangaan met het in hun ogen inherent racistische karakter van de Nederlandse samenleving, geen enkele sympathie kunnen opbrengen voor een hoofdfiguur die een actief aandeel had in de onderwerping van de Indonesische archipel. Wie echter iets minder gevoelig is voor de waan van de dag en niet alleen in het verleden is geïnteresseerd om politieke doeleinden te verwezenlijken, vormen deze herinneringen van een huursoldaat in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie fascinerende lectuur.

In hun inleiding verbazen Leonard Blussé en Jaap de Moor, eminente kenners van de geschiedenis van ‘ons Indië’, zich erover dat van de bijna één miljoen mannen die tussen 1602 en 1795 op VOC-schepen naar de Oost zijn gevaren slechts enkelen egodocumenten hebben gepubliceerd, terwijl er wel degelijk een markt voor bestond.

Ook de in het Frans geschreven memoires van Elie Ripon bleven ongepubliceerd, en nadat ze in 1865 waren ontdekt op een vliering in het Zwitserse stadje Bulle en werden overgedragen aan de kantonale bibliotheek van Fribourg, zou het meer dan een eeuw duren voordat ze in druk verschenen. Op basis van die Franse teksteditie hebben Blussé en De Moor nu een Nederlandse uitgave bezorgd die niet alleen bijzonder leesbaar is, maar waarbij ze de beweringen van Ripon ook hebben kunnen toetsen aan andere reisliteratuur en vooral aan het omvangrijke VOC-archief.

Walvisvaart

Over Elie Ripon is weinig meer bekend dan dat hij afkomstig was uit Lausanne en dat zijn familie in de loop van de achttiende eeuw uitstierf. Hij behoorde tot de talloze Zwitserse huurlingen die in de vroeg-moderne tijd overal in Europa dienden omdat er in hun eigen land bitter weinig werk was.

Het niet volledig bewaard gebleven manuscript van zijn herinneringen begint in 1617 in Delft, waar hij besluit aan te monsteren op een walvisvaarder. De bladzijden die hij wijdt aan de walvisjacht en traankokerijen op Spitsbergen vormen het vroegst bekende ooggetuigenverslag van deze activiteiten door Nederlandse ondernemingen, die voor de jacht vooral gebruik maakten van Basken. Ripon vond het een bijzonder gevaarlijke en smerige aangelegenheid: ‘ik wenste me op de hoogste berg van Zwitserland!’

De tropen trokken hem meer, en begin 1618 trad hij in dienst van de VOC. Na aankomst op Java droeg gouverneur-generaal Jan Pietersz. Coen de Zwitserse sergeant op de handelsfactorij in de havenstad Jayakarta om te bouwen tot een echt fort. Al spoedig werd het Hollandse bolwerk belegerd door een gecombineerde legermacht van Engelsen, Bantammers en Jakatranen.

Tijdens het ruim vier maanden durende beleg gaf Ripon leiding aan verschillende uitvallen, die niet veel leken uit te halen. Nadat de VOC het echter op een akkoordje had gegooid met de Engelsen konden de Javanen vrij gemakkelijk worden verslagen en werd Jayakarta met de grond gelijk gemaakt, om plaats te maken voor Batavia.

Uiteraard was het niet meteen rustig in dit gebied, en Ripon beschrijft hoe hij tijdens een patrouille in het oerwoud gewond raakte toen zijn haakbus in zijn hand ontplofte: ‘Maar goddank liet ik mij niet ontmoedigen en behaalde ik de overwinning met twaalf gesnelde koppen van de vijand als buit.’ Kort daarna ondernam hij een langduriger expeditie, waarbij zoveel vijanden omkwamen en de terugtocht zo lang duurde, dat hij in plaats van de hoofden slechts de rechteroren van de vijand meenam.

Ook op Lontor, onderdeel van de Banda-archipel, ging het er bloedig aan toe. Ripon, inmiddels officier, deed mee aan het uitmoorden en deporteren van een groot deel van de bevolking van dit eiland dat wegens de nootmuskaatbomen door de VOC zeer begeerd werd. Terug in Batavia had hij de leiding over het vierendelen van negentien Bandanezen die – een kwestie van perceptie – ‘verraad’ zouden hebben gepleegd.

Gelukkig doet Ripon ook levendig verslag van vreedzame ontmoetingen met de inheemse bevolking, waarbij hij belangstelling aan de dag legt voor gewoonten, gebruiken, rechtspraak, flora en fauna. Uiteraard moeten we hem niet zien als antropoloog – ‘ik houd meer van oorlog dan van vrede’ – maar wat wel opvalt is dat hij geen blijk geeft van enorme superioriteitsgevoelens. Hij is vaak verbaasd en nieuwsgierig en hij ziet de inlanders als mensen met wie soms zaken zijn te doen, en die soms bestreden moeten worden, omdat hun belangen botsen met die van de VOC.

Interessant zijn ook zijn beschrijvingen van de strijd met de concurrerende Portugezen en Spanjaarden, en zijn avonturen langs de Chinese kust. Af en toe vertelt hij verhalen die hij alleen van horen zeggen kon hebben, en fantaseert hij vrijelijk over een bezoek aan Mekka en een beklimming van de berg Ararat. Maar waar Blussé en De Moor zijn beweringen hebben kunnen controleren, bleken die behoorlijk betrouwbaar.

Dat deze keiharde beroepsmilitair, niet alles maar gewoon vond, blijkt uit zijn verontwaardiging toen een inlandse heerser hem als ‘matras’ een vrouw aanbood, ‘waarop ik repliceerde dat ik niet aan zo’n matras gewend was’. Gêne leidde er ook toe dat hij heel terloops opmerkt dat hij en zijn mannen op een keer gedwongen waren de lichamen van gesneuvelde vijanden op te eten.