Interview

‘Ik ben geen materialist’

Kiezen is niet Jasper van Kuijks sterkste eigenschap. Hij is én cabaretier én docent in Delft én eenmansconsumentenbond én vader van drie jongetjes. „Ik moet bezig zijn.”

Jasper van Kuijk (40) heeft de afgelopen vijf jaar drie keer zijn huis verbouwd, vier theatervoorstellingen en drie kinderen gemaakt. Hij is, in willekeurige volgorde: columnist, gepromoveerd industrieel ontwerper, cabaretier, presentator, docent aan de TU in Delft. Hij is schrijver van een boek (Hoe moeilijk kan het zijn?), van liedjes (vier nummers van hem staan op Spotify) en voor een satirisch tv-programma (Koefnoen ) en vader van jongens van 5, 3 en 1 jaar. En dan ben ik vast nog wat vergeten. Zijn vriendin, ze is actuaris (verzekeringswiskundige), is eens gaan tellen hoeveel uur hij nou eigenlijk werkt. „Zestig tot tachtig uur per week.” Het heeft even geduurd, maar nu snapt hij zelf ook wel dat het misschien wat veel is. Dus nu heeft hij het ook over grenzen stellen, hergroeperen, keuzes maken, nee zeggen.

Maar als je hem op dinsdagochtend vraagt of hij vandaag of morgen kan lunchen, dan zegt hij meteen ja. En hup, hij komt vanuit Delft, waar hij woont, naar Amsterdam gereden, waar hij gewoond heeft. Eigenlijk duurde het verzinnen van een locatie nog het langst. Kiezen, waarschuwde hij van tevoren, is niet zijn sterkste eigenschap. „Ik heb 3 maanden gedaan over het kopen van een prullenbak.” Ik vatte dat toen nog op als grap. Hij koos uiteindelijk voor een restaurant waar hij vroeger langs fietste op weg naar het station voor de trein naar Delft. En dan volgt er een uiteenzetting over hoe zijn rij-examen destijds verlopen is en hoe zijn rij-instructeur ertoe gekomen is hem te laten slagen.

Binnen acht minuten zijn we via zijn afstudeerscriptie langs zijn jeugd geschampt en weer terug bij het vak dat hij in Delft doceert (gebruiksgemak). Hij heeft gegrapt dat zijn vader, leraar Engels, en zijn moeder, verpleegster, na zijn geboorte vijf jaar moesten „bijkomen” en toen pas een tweede en derde kind aandurfden. Iets serieuzer erkent hij dat hij niet „de makkelijkste” was vroeger. „Als ik me verveelde, werd het moeilijk. Ik moest wel bezig gehouden worden.”

Was hij in deze tijd kind geweest, begin ik, maar hij weet al wat er komen gaat. „Toen ik ging werken, ben ik naar een psycholoog gegaan. Op internet had ik een zelfdiagnosetestje gedaan voor ADHD en ik had best veel vragen goed, zeg maar. Die psycholoog zei toen dat hij me best een diagnose wilde geven, maar, zei hij: en dan? Wat er ook aan je schort, zei hij, je haalt er ook veel goeds uit.”

Want wie is er nou techneut en cabaretier? „Mensen vragen vaak hoe ik dat combineer. Maar ik weet niet beter, ik heb toneel en techniek altijd naast elkaar gedaan.” Halverwege zijn studie, toen hij al een studiejaar had opgestookt aan de lustrumcommissie van de studentenvereniging, en net toen hij had bedacht dat hij „nu, en nu echt” zou gaan studeren, viel zijn oog op een studentencursus kleinkunst. „De docent was Paul de Munnik. Of liever, die deed het, maar in mijn jaar was er een ander. En nu is hij mijn regisseur. Paul de Munnik dus.”

Lang verhaal kort: met elf jongens vormde hij cabaretgroep Delfts Blok, ze wonnen het Groninger studentencabaretfestival en daarna toerden ze drie jaar langs de theaters in het land. Hij studeerde intussen af en ging werken als design manager bij een bureau in Noordeloos. Serieuze baan voor een 26-jarige. Serieuze reistijd ook, twee uur heen en twee uur terug, het laatste stukje met de belbus. „Vandaar dat rijbewijs.” Leuk werk, daar niet van, maar hij wilde liever promoveren. En op het toneel blijven staan. „Als er eenmaal een keer om je gelachen is op een podium, blijf je dat willen.”

Dat ding is dom

Eerst even over zijn promotieonderzoek: gebruiksgemak van consumentenelektronica, en dat zijn zeg maar alle apparaten met een stekker die mensen zoal in huis hebben. Een navigatiekastje, een thermostaat, een printer. Apparaten die niet altijd doen wat we willen. Dan kun je denken: ik ben te dom om dit apparaat te bedienen. Maar Jasper van Kuijk denkt: dat ding is dom. En wordt boos. „Wij, de gebruikers zijn het gegeven. Het apparaat moet zich aan ons aanpassen, niet andersom.” Er bestaat zoiets als ontwerptheorie, zegt hij. „Over gebruiksgemak is genoeg wetenschappelijke kennis. De vraag is: waarom wordt die kennis niet toegepast?” Hij is gaan praten met productieteams en productmanagers van elektronicabedrijven van Hongkong tot Zweden. „Het punt is: gebruiksgemak is onzichtbaar. Het kost veel geld om een makkelijk te bedienen apparaat te maken. Maar de consument ziet geen verschil tussen een handige en de onhandige staafmixer, alleen het prijsverschil valt op. Apple maakt computers die simpeler werken, maar veel duurder waren. Lang wilden mensen daar niet aan. Pas met de komst van de iPod en later de iPhone met touchscreen begon de markt in hun voordeel te kantelen.”

Intussen is ‘gebruiksgemak’ zijn middle name. Hij is een eenmansconsumentenbond, de „lakmoesproef” van elk product. Hij schrijft, eerst voor NRC en nu voor de Volkskrant columns over de ondingen die snelbinders, IBAN-codes en vaatwasmachinebestendige theekopjes soms zijn. Van de OV-chipkaart maakt hij al vijf jaar studie aan de TU-Delft, met drie afstudeerders en een onderzoeker. „Toen die kaart werd geïntroduceerd heb ik er twee weken over gedaan om te ontdekken dat ik voor ‘reizen op saldo’ was aangewezen op een klein geel kastje bij de Albert Heijn. Waarom maak je zo’n kaart die iedereen moet hebben zó? Waarom laat je mensen in de spits twee keer in- en uitchecken en kost ze dat tien euro als ze het verkeerd doen? Dat wilde ik uitzoeken. Niet om te zeggen: jullie doen het fout. Maar: zo kan het beter.” Het is het leukste onderzoek ooit, zegt hij. Met een paar ontwerpers in een lab, nieuwe toegangspoortjes knutselen, sparren.

Zijn columns werden een boek, Hoe moeilijk kan het zijn?. Dat van die drie maanden durende zoektocht naar een prullenbak was dus ook geen grap. „Ik lees eindeloos alle reviews en productspecifiaties, ik wik en weeg en wacht af. Ik ben nooit de eerste die een nieuw apparaat aanschaft.” Zijn keus is gevallen op een inbouw-afvalsysteem, met drie afzonderlijke emmertjes voor plastic, gft en restafval, waarvan de deksels automatisch opengaan bij opening van het keukenkastje. „Het heeft een designprijs gewonnen, maar desondanks is het een goed ding.”

Wasmachines en Miele

Hij is geen materialist, zegt hij. „Maar wat ik koop, moet goed zijn.” Hij kan genieten van bedrijven als Apple, Cool Blue, TomTom, Tesla, Miele die gaan voor het mooiste en best werkende product. Voor de liefhebber: zijn staafmixer is van Bosch, zijn droger ook, zijn stofzuiger van Miele, zijn wasmachine van AEG. Geen Miele? „Je hebt wasmachines en Mieles. De laatste is beter, maar meer dan twee keer zo duur. Dan ga ik ook rekenen.”

Vlak voor hij promoveerde, dat was in 2010, schreef hij een theatervoorstelling, een conference voor hem alleen. „Tegen mijn vriendin zei ik dat ik met die voorstelling snel even een festival moest winnen, vóór ik doctor zou worden. Dan zou ik de keuze hebben.” De keuze tussen kunst of techniek. Een echte baan of cabaret. Hij moet er zelf om lachen. „Alsof je even zoiets wint.” Maar het gebeurde wel. ’t Kan Nie Op won de publieks- en de juryprijs van Cameretten. Er kwam een tweede en derde productie en hij is net begonnen nummer vier te schrijven. Maar gekozen heeft hij niet. Verfrissend is de combinatie van de „relatief normale mensen” op de universiteit en de „hysterisch extraverte types” die in het theater werken. Nu hij erover nadenkt, ziet hij ook overeenkomsten tussen wetenschap en theater. „Het begint allebei met de vraag: hoe zit dit? Waarom is dit zo en hoe kan dat dan? Je stelt net zo lang alles ter discussie tot je er knettergek van wordt.”

Nu staat ter discussie hoe hij verder gaat. Want naast alles wat hij al opnoemde, geeft hij ook huiskamervoorstellingen, presenteerde hij het Cameretten Festival. In Delft presenteert hij een professorenprogramma, met mini-colleges over zwarte gaten, bitcoins en zwaartekrachtgolven, maar daar gaat hij mee stoppen, ook al is het nog zo leuk. „Ik hoef niet per se die jongen te zijn die wetenschap leuk kan brengen.” Tel daarbij op de nieuwste verbouwing („Goddomme, wat duurt dat lang”) en drie kinderen, waarvan er zeker twee best veel lijken op hem vroeger. „Ik hang het liefst een handdoekrek met ze op. Bezig houden. Iets doen.” Voor het eerst moet hij erkennen dat hij een „gevoel van onvermogen” heeft. Niet alles kan meer, althans niet alles tegelijkertijd. Helemaal geloofwaardig klinkt hij niet als hij het over zijn taks, grenzen of keuzes praat. Maar zijn gezicht spreekt boekdelen. Over tien jaar docent? Sip. Over tien jaar alleen nog theater? Blij.