Hij werd gewassen in een teil op tafel

Hoe word je wie je bent? Herman Pleij is historisch letterkundige en publiceerde onlangs Moet nog steeds kunnen over de Nederlandse identiteit. In de schoolkrant schreef hij ooit wat hij allemaal níet kon.

Recente foto van Herman Pleij

De geit van de buren

In zijn oudste herinnering zit de tweejarige Herman Pleij in 1945 op de arm van zijn vader. Onder de kastanjeboom in de tuin kijken ze naar het droppen van voedsel door geallieerde vliegtuigen op de Hilversumse hei. Heel vaak heeft Pleij dit verhaal in de loop der jaren verteld, in steeds meer geuren en kleuren. De aardbeienplantjes die er stonden. De geit van de buren die er ook was. „Tot mijn moeder kort voor haar dood zei: Herman, dat is helemaal niet waar. Vanuit de tuin kon je de hei niet zien. De aardbeienplantjes kwamen pas na de oorlog. En de geit was opgegeten.” De bron van de ‘herinnering’ is misschien een foto van hem op de arm van zijn vader. Maar die is genomen na de bevrijding, door een Canadees.

Badhuis

Herman Pleij als student Nederlands

Drie gezinnen woonden er in de Hilversumse villa van zijn vroege jeugd. Het huis stond ‘over het spoor’, in de arbeidersbuurt. Herman en zijn zusje werden gewassen in een teil op tafel en gingen een keer per week naar het badhuis. Toen Herman elf was, verhuisden ze naar een flat. Daar was een douche en kregen broer en zus een eigen kamer.

Herman werd verwend, zegt zus Mieke Pleij. „Als hij uit school kwam ging mama een eitje voor hem bakken, met ui en kerrie. Later dacht ik: hé voor mij heeft ze dat nooit gedaan.” Echtgenote Elsje Pleij, die hem op zijn twintigste leerde kennen: „Hij kon geen appel schillen. Dat deed zijn moeder.” En dan was er ook nog zijn oma, zegt Pleij zelf. „Hij was oma’s oogappeltje”, zegt Mieke.

Wederopbouwouders

Herman Pleij in een tuigje met zijn vader

In den beginne was dus de oorlog. Vader Pleij zat ondergedoken in de drukkerij waar hij werkte om niet in Duitsland tewerkgesteld te worden. Eerder was hij een streng christelijk milieu in Twente ontvlucht. Moeder Pleij maakte op de fiets ‘hongertochten’ naar Twente om aan eten te komen. Ze was diamantslijpster geweest, werd later kapster. Dat hun zoon op 37-jarige leeftijd hoogleraar historische Nederlandse letterkunde zou worden aan de Universiteit van Amsterdam, lag niet voor de hand. Het was volgens Pleij wel de droom van zijn vader dat hij zou gaan studeren. Hij had ‘wederopbouwouders’, zegt hij. „De kinderen moesten alle kansen krijgen. In ruil moesten wij leren leren leren.” Aan Herman was dat volledig besteed, zegt Mieke. „Hij was een rustige jongen die van leren hield.”

Hun vader werkte van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, plus de zaterdagochtend. Herman zegt dat hij zijn vader bijna nooit zag. Zijn moeder dacht, vertelt hij, dat hij dáárom – onbewust – die valse vroege herinnering had geconstrueerd. „Ze zei: ik zag wat je deed: een relatie met je vader vestigen.” Zijn zus heeft geen herinnering aan een afwezige vader. „Mijn beleving is dat hij er altijd was. Toen ik op de lagere school zat kwam hij tussen de middag thuis.”

Charisma

De vader van hun moeder kenden ze alleen uit romantische verhalen: kunstzinnige man, groot zangtalent, weggegaan bij zijn gezin voor een leven vol glamour. De morsige opa die plotseling opdook toen Herman twaalf was voldeed niet aan het beeld, al had hij wel charisma. Pleij: „Een mooie man met een lage stem. Hij pakte iedereen in, vooral mijn moeder.” De waarheid leerde Pleij door het tv-programma Verborgen Verleden. Opa had zijn vrouw en twee jonge dochters eind jaren twintig gewoon in de steek gelaten voor een andere vrouw.

De tekst gaat verder na de video

Bad op pootjes

Herman Pleij spelend in hun Hilversumse huis

Hermans lagere school stond aan de ‘goede’ kant van het spoor. Als hij ging spelen bij vriendjes moest hij zijn schoenen uitdoen, want er lag tapijt. Ze hadden telefoon, een auto, gingen op vakantie naar het buitenland. Eén vriendje had een wulpse moeder die weleens in bad zat. „Een bad op pootjes. Had ik ook nog nooit gezien.”

Zijn middelbare school was een nieuw wit gebouw in het bos, voor welgestelde dropouts, waar hij met een beurs naar toe kon. Dat laatste ontdekte hij pas toen het verplichte reisje naar Trier eraan kwam, zijn eerste buitenlandse reis. „De leraar zei: ‘volgende week 35 gulden meenemen voor Trier. Behalve Herman natuurlijk’.” Hij schaamde zich niet, zegt hij. „Ik was er een beetje trots op. Ik was daar toch maar.”

In de schoolkrant begon hij een rubriek over wat hij door zijn andere achtergrond allemaal niet kon. „‘Ik kan niet dansen’ – mijn klasgenoten zaten op dansles. ‘Ik kan niet naar de kapper.’ Ik overdreef enorm.” Over Trier schreef hij dat een docente zich te buiten ging aan wijn. „Het bacchanaal van Trier.” De hoofdredacteur, een „onverschrokken” leraar Nederlands, „kreeg ontzettend op zijn lazer”. Met die leraar had hij geluk, zegt Pleij. „Hij maakte enthousiast. In de vierde nam hij De Donkere Kamer van Damocles van W.F. Hermans mee en zei: dit is het beste boek dat ooit geschreven is. En leende het ons uit.”

Voordrachtskunst

„Ik heb de witte waterlelie lief.” Op de lagere school deed Pleij geestdriftig mee aan voordrachtswedstrijden. Dat het gezien werd als een tijdverdrijf voor meisjes kon hem niet schelen, hij was ook goed in sport. Even lonkte zelfs het profvoetbal. „Maar ik had al gauw in de gaten dat ik geen supertalent was. En ik had een handicap, ik was zo scheel als een otter.” Een toekomst als acteur trok ook. „Dat vond papa eigenlijk niks”, zegt zus Mieke. „Dan had je geen brood op de plank.”

Gewoon een vriendje

Herman Pleij met zijn vrouw Elsje Pleij-ten Kroode

In de vierde van het gymnasium ‘scoorde’ Pleij een vriendin in de vijfde, Hélène, dochter van een bankdirecteur. Haar moeder praatte graag met hem over literatuur. Maar op een gekostumeerd feest, waar hij als enige een door zijn moeder genaaid kostuum droeg, „viel ik door de mand”. „Ik hoorde iemand aan Hélène’s moeder vragen of ik haar dochters verloofde was. Nee nee nee, zei ze haastig, gewoon een vriendje. Dat vond ik wel kwetsend.” Zijn zus denkt dat hij „iets heeft meegenomen van die afwijzing”. Zo verklaart ze dat hij hun verleden vaak schetst als armoedig, wat zij niet zo heeft ervaren. „In onze omgeving had niemand het breed, maar tekorten kan ik me niet herinneren.”

Carnaval

Aan het eind van de middelbare school wilde Pleij schrijver worden in Amsterdam. Hij ging Nederlands studeren aan de UvA – om daar nooit meer weg te gaan. Verschillende colleges (disputen) van studentenvereniging USA probeerden de welbespraakte eerstejaars in te lijven; het werd Li Tai Po, genoemd naar een Chinese dichter en kenner van wijn. Het dispuut, dat nog altijd bijeenkomt, vierde een aantal jaren carnaval in Brabant. „We zongen daar keihard studentenliederen”, vertelt mede-lid Henk Wooldrik, die hoofdofficier van justitie zou worden. „Dat vond de burgerij wel leuk.” Niet heel veel later zou Pleij promoveren op een handschrift van een carnavalsgilde, de Blauwe Schuit. De provorellen, ook in die tijd, waren minder aan het dispuut besteed. „Daar keken we met enige verbazing naar”, zegt Wooldrik. „We waren niet direct oproerkraaiers.”

Krasnapolsky

Herman Pleij op het ledenpasje van de ASVA

Makelaarsdochter Elsje ten Kroode, uit een bourgondische katholieke familie in Laren, leerde Herman kennen in café Het Bonte Paard. Al gauw nam hij haar mee naar een studentenfeest in Krasnapolsky, vertelt ze, „een beetje existentialistisch, alles in zwart”. Ze was hem direct kwijt – „stond hij al te oreren op het toneel”. Haar moeder, die dacht dat ze bij een vriendin zou slapen, wachtte het stel een dag later dreigend op. „Ze zei: Wat heb je gedaan? Herman zei: ‘Vadertje en moedertje gespeeld. En doktertje’. Toen zei mijn moeder niets meer. Zo ging het altijd. Hij overblufte mensen een beetje.”