‘Dat Rijkswaterstaat niks meer weet, slaat nergens op’

Jan Hendrik Dronkers

Heeft Rijkswaterstaat nog wel de vaardigheden en kennis om zijn beheerfuncties goed uit te voeren? Directeur-generaal Jan Hendrik Dronkers reageert op de kritiek. „Dat Rijkswaterstaat niks meer weet, slaat nergens op.”

Foto’s ANP

In alle opgewektheid wil Jan Hendrik Dronkers, directeur-generaal van Rijkswaterstaat, graag reageren op kritiek dat zijn organisatie „niet meer de kennis en vaardigheden heeft om zijn fysieke netwerken goed te beheren”. Dat werd maandag in NRC gesteld door Hennis de Ridder, emeritus hoogleraar aan de TU Delft. ‘Rijkswaterstaat wéét niks meer’, stond er.

Daar klopt heel weinig van, vertelt Dronkers in zijn kantoor in de toren van Rijkswaterstaat langs het Amsterdam-Rijnkanaal in Utrecht, waar hij een uurlang als een volleerd keeper alle aanvallen op zijn organisatie keert.

Lees hier het opiniestuk van Hennis de Ridder: Rijkswaterstaat wéét niks meer

„Ik ken Hennis natuurlijk goed”, zegt hij monter. „Een sprankelende man. Tegendenkend. Uit zijn artikel spreekt bezorgdheid. Dat is nooit verkeerd. Maar dat Rijkswaterstaat niks meer weet, slaat nergens op. Hij heeft de laatste jaren niet veel meer voor Rijkswaterstaat gedaan en ik vraag me af: weet hij wel wat er bij ons gebeurd is?”

Dus Rijkswaterstaat weet heel veel?

„De kritiek past in een tijd toen onder mijn voorganger het adagium was ‘markt, tenzij’. Een jaar of tien geleden. Er was toen óók nooit de overtuiging dat je nergens meer verstand van hoeft te hebben. Maar er was wel de gedachte dat als een aannemer zijn eigen kwaliteit beoordeelt, wij alleen maar hoeven kijken of hij z’n gecertificeerde systeem van kwaliteitsborging op orde heeft.

„Inmiddels hebben we wel geleerd dat er naast de papieren werkelijkheid ook een fysieke werkelijkheid bestaat. Je moet altijd óók het product zelf toetsen. Ik zou het sterker willen zeggen. Toen ik in 2011 hier begon, heb ik gezegd: allemaal leuk en aardig, maar zonder kennis ben je kwetsbaar. Kennis is key. Dus toen wij net als de rest van Nederland moesten bezuinigen, heb ik een managementlaag eruit gehaald – en dat is me niet door iedereen in dank afgenomen – om deskundigen te behouden. We hebben van de achtduizend mensen nog tweeduizend mensen in dienst met de titel ir. en ing.”

Lachend: „Dan heb je toch een behoorlijk potentieel!”

Wat klopt er van de stelling dat Rijkswaterstaat tegenwoordig zowat alles uitbesteedt? Werkt u alleen nog met adviseurs?

„Het lukt je gewoon niet alle kennis zelf in huis te hebben. Er zijn veel kennisgebieden bijgekomen. De eisen die aan inpassing en aan het rekening houden met de omgeving worden gesteld, zijn veel hoger dan in de tijd dat we alleen maar dachten aan bouwen, bouwen en bouwen. Sinds Amelisweerd kappen we niet meer voor iedere weg een bos. Kijk eens hoe nauwkeurig we ons tegenwoordig moeten verantwoorden voor het inpassen van infrastructuur. Dat is een tak van sport apart geworden.

„Bovendien is duurzaamheid een vanzelfsprekend onderdeel van ons werk. Je kunt dus niet alleen civieltechnici in dienst hebben. Het gaat erom: ben je als organisatie in staat om de juiste kennis aan te boren, bijeen te halen en de beslissingen te nemen.”

Dronkers pakt zijn telefoon en zegt: „In een tijd dat informatie moeilijk beschikbaar is, moet je die kennis vooral zelf in huis hebben. Maar in deze tijd?” Hij zwaait met zijn telefoon. „Ik heb in no time informatie beschikbaar!”

Heeft die werkwijze niets te maken met de bezuinigingen die u heeft moeten doorvoeren?

„We hebben ongeveer 20 procent moeten bezuinigen. We hebben onze organisatie zichtbaar efficiënter gemaakt. Dankzij nieuwe processen. Als we bijvoorbeeld mensen aannemen, duurt dat geen twintig weken meer, maar vijf tot tien weken. Ook bieden we minder service aan. Minder dienstverlening. Op de vaarwegen bedienen we niet alles 24/7.”

U heeft op van alles bezuinigd behalve op kennis?

„Integendeel. Waar we kwetsbaar zijn geweest, was de ICT. Wij huurden ooit 50 procent in van de kennis om onze ICT-opgave te realiseren. Dat is te veel. Toen heb ik met de minister een debat gehad. Ik wilde maximaal 20 procent externen inschakelen. Vervolgens heb ik ontheffing gekregen om de organisatie op dat punt te vergroten.”

U heeft onlangs een nieuwe manier van werken aangekondigd. Hoe?

„Er zijn een paar manifeste uitdagingen. Door ontwikkelingen in ICT zie je enorme veranderingen in de infrastructuur. Op termijn zal dat leiden tot zelfrijdende auto’s, bijvoorbeeld. Verder moeten we het netwerk verduurzamen. Met de doelstellingen van de klimaattop in Parijs moeten we volop aan de gang.

„Bovendien willen we anders omgaan met regels. Niet dat we alle regels willen afschaffen. Maar kunnen we onze mensen zo opvoeden dat ze veel meer gaan werken vanuit de bedoeling, vanuit de waarde die achter deze regels zit? Daar gaan we mee aan de gang.”

Zitten hier dan nu mensen die alleen regeltjes uitvoeren?

„Nee. Maar in een grote organisatie is bureaucratisering altijd een gevaar. Zorg dat de mensen voldoende ruimte en lef hebben om keuzes te maken en vertrouw op hun inzicht. We hebben hier bijvoorbeeld een ideeëncorporatie. Als je een idee hebt, krijg je sowieso duizend euro om daarmee aan de slag te kunnen.

„Ik loop laatst langs iemand die een scherm zit te bedienen met muizen. Wat zou jij nou graag willen, vraag ik. Ik zou graag gekleurde muizen hebben, zegt hij. Om sneller verschillende schermen te kunnen bedienen. Ik zeg: zijn er gekleurde muizen? Hij zegt: ja. Maar wij kopen centraal standaard grijze muizen in, want dat is goedkoop. Ik naar zijn baas: regel dat die vent gekleurde muizen krijgt. Na een week was het geregeld. Die man blij. Klaar.

„En nog iets. Vroeger moest je hier het management in om hogerop te komen, om qua salarisschalen hard te groeien. Daardoor wilden deskundigen graag algemeen manager worden. Dat hebben we omgedraaid. Je hoeft tegenwoordig geen manager meer te worden om door te kunnen groeien. Het leidt tot een emancipatie van de deskundige. De manager is niet meer de baas. Als nou uit iets blijkt dat we kennis serieus nemen, dan is het dit.”

Veel mensen zeggen toch vaak, zoals bij de scheurtjes in de Merwedebrug, dat zoiets vroeger niet zou zijn gebeurd.

„Dat is niet waar. Wij controleren zo’n brug periodiek. En als we die brug bijvoorbeeld moeten verbreden, dan kijken we er extra intensief naar. We hebben daarbij een nieuwe methode toegepast. Daarbij bleek het gevaarlijk. Hadden we dan eerst nog eens naar die methode moeten kijken? Of moet er meteen minder verkeer over dat ding? Dat er vervolgens enorme files ontstonden, komt omdat heel veel vrachtwagenchauffeurs zich niet aan het verbod hielden.”

En de aanvaring in Grave?

„Het komt wel vaker voor dat een stuw wordt aangevaren. Maar deze man is gewoon dwars dóór de stuw heen gevaren en twee meter zeventig naar beneden gedonderd! Toen ik gebeld werd, schrok ik me rot. Een schip met benzeen! Dit was een veiligheidsincident. We vroegen ons af: hoe krijgen we die boot daar weg? Als dat ding was ontploft, waren de gevolgen niet te overzien.”

En dat een sluis laat werd gesloten?

„We zijn dat nog aan het evalueren.”

Maar dat u geen benul heeft dat er een sluis moet worden gesloten…

„Dat is natuurlijk idioot! Er zitten mensen die al jaren zulke stuwen en sluizen bedienen. Weten die niet wat er met zo’n stuwpand aan de hand is? Kom nou toch.”

Over ICT gesproken: is de infrastructuur veilig? Kunnen Russische hackers onze sluizen open zetten en het land onder water zetten?

„Over cybersecurity kan ik een heleboel zeggen. Een manifest aandachtspunt. Dat is vol in beeld. Het belangrijkste is dat er geen directe connectie is tussen onze objecten en het internet. Dat het allemaal gezekerde connecties zijn. Anders word je gevoelig. Je moet er toch niet aan denken dat een gek de Maeslantkering gaat bedienen?”