Recensie

Gatti gaat voor climaxen en Jansen herrijst uit geluidskolk

Foto Marco Borggreve

Daniele Gatti is pas een half jaar chef van het Concertgebouworkest en dirigeerde al twee keer de Vierde symfonie van Bruckner. Dat is niet zo vreemd, want kathedralenbouwer Bruckner is Amsterdams kernrepertoire. De legendarische Bruckners van Haitink echoën nog in de Grote Zaal. Gatti wist waar hij aan begon, en bij zijn aantreden zei hij zich te verheugen op een duik tussen de Oostenrijks-Duitse giganten. Natuurlijk pakt Gatti het anders aan dan zijn illustere voorgangers. Natuurlijk zet hij de contrasten steviger aan en neemt hij de tempi trager – zo traag soms dat de boel dreigde om te vallen. Of dat werkte? Het publieke succes was groot. Bij vlagen was er die fenomenale strijkersklank, als een warm bad, bijna als de rivier de Lethe, die je je eerdere aardse irritaties deed vergeten.

Bruckner was een climax-junkie, en zijn symfonieën vereisen een ijzeren greep op de grote vorm. Gatti is nooit te beroerd om een climax op te poken, en waar die gretigheid vaak voor elektrisch geladen uitvoeringen zorgt, pakte zij nu nogal bombastisch en langdradig uit. Zelfs de opwinding van het Scherzo leed daaronder. De mooiste momenten zaten in het onsamenhangende, maar fijnbesnaarde Andante.

Een wereld van verschil was het intense Vioolconcert van Berg met Janine Jansen als solist. Hier werkte het wel: de trage processie, de verstilling van het Bach-citaat, de geluidskolken die Jansen verzwolgen en waaruit ze herrees als een gewassen ziel.