Recensie

De NPO streeft naar programma’s als ‘De Aardappeleters’

De culinaire serie zit vol met vermakelijke reportages over de oorsprong van gerechten. Alleen de presentatie laat te wensen over.

Schrijver Jaap Scholten eet met Joris Vermeer in 'De Aardappeleters' (NTR).

Langzamerhand bestaat het grootste deel van het aanbod van de NPO uit meer of minder amusant verpakte informatie. Eten is een geliefd onderwerp voor moderne Nederlanders, alleen weten ze vaak nog niet helemaal hoe overbekende, vaak kant en klaar bestelde gerechten eigenlijk klaargemaakt zouden moeten worden.

Dat is althans de vooronderstelling van de reeks De Aardappeleters (NTR), een titel die al even misleidend ironisch is als de naam van de productiemaatschappij Bureau Voorlichting.

In tien dagelijkse afleveringen van 25 minuten wordt een uiterst populair soort eten ontleed en op de oorspronkelijke plaats van herkomst onderzocht door de debuterende presentator Joris Vermeer. Dat is een kok en jager, die eerder in De Wilde Keuken nogal eens een zwijgzame gastrol vervulde. Ook nu zegt hij niet veel en stelt vooral onnozele vragen, waar hij het antwoord natuurlijk al op weet. Je van de domme houden, dat doet Wouter Klootwijk, zeer herkenbaar als inspirator van De Aardappeleters, echt veel overtuigender.

Inhoudelijk is het wel een heel aardige reeks, waar we veel van op kunnen steken. Babi pangang wordt in Indonesië meestal niet met varkens- maar met hondenvlees klaargemaakt, want hond is niet haram. En als je het stiekem toch van varken maakt, dan niet in zoetzure rode saus, maar in varkensbloed met limoen. Spaghetti bolognese bestaat niet in Italië, daar moeten ze een beetje om lachen. Bolognese is altijd tagliatelle met ragú.

In Budapest wordt Vermeer ontvangen door schrijver Jaap Scholten, die uitlegt dat goulash eigenlijk het eten was van de gyulás, de cowboys op de Hongaarse poesta: rundvlees met paprika en uien. Een staatssecretaris uit de regering-Orbán doet daar nog een schepje bovenop: de communisten hadden een hekel aan het grijze vee, want het herinnerde aan vrijheid en de nationale identiteit. Dus waren die vrije grazers bijna uitgestorven, totdat ze met steun van de EU konden terugkeren.

Ten slotte helpt een socioloog ons uit de droom: die cowboys konden zich echt geen vlees veroorloven. Goulash is een stadse constructie van 100 tot 150 jaar geleden, om de Hongaarse identiteit aan een mythe en een nationaal gerecht te kunnen helpen. En goulash is in Hongarije altijd soep, de stoofpot heet pjörkölt.

Kijk, dat zijn dingen die we natuurlijk graag leren, net als de mededeling dat de 10 miljoen Hongaren per persoon gemiddeld een kilo paprikapoeder per jaar verorberen. En wie plukt die 70 miljoen paprika’s die daarvoor nodig zijn? Natuurlijk Roemenen, want die doen voor veel minder geld het werk waar Hongaren zich te goed voor voelen.

Dit is typisch het soort programma waar de NPO nu naar streeft. Van mij mag het, maar dan toch het liefst weer met Klootwijk zelf op de fiets in al die verre streken. Als dat niet mogelijk is, dan bij voorkeur met een onsje minder ironie.