Column

Stroomstoring is een codewoord

De Dikke Van Dale kent het woord stroom voor ‘elektriciteit’ sinds 1898. De redactie verwees indertijd naar galvanische en magnetische stroom – bij die bijvoeglijke naamwoorden was meer informatie te vinden. Het duurde tot 1976 voordat dit woordenboek de almaar groeiende lijst samenstellingen met stroom- aanvulde met stroomstoring. Wel werd al eerder, in 1961, de samenstelling stroomverbreking opgenomen, wat natuurlijk ook een vorm van stroomstoring is.

Betekent dit dat stroomstoringen lang bekend hebben gestaan als stroomverbreking of stroomonderbreking? Nee, bij mijn weten was stroomstoring van meet af aan het gangbaarst.

Wij kunnen ons nu niet meer voorstellen hoe sensationeel de introductie van het elektrische licht was – een van de eerste praktische toepassingen van stroom. Eeuwenlang had men kaarsen gebruikt, vanaf het begin van de 19de eeuw werd er geëxperimenteerd met gaslicht en halverwege de 19de eeuw verschenen de eerste berichten in Nederlandse kranten over elektrisch licht. Zo meldde de Arnhemsche Courant op 10 januari 1849: „Het wetenschappelijk publiek is in Engeland in eenen toestand van opgewondenheid gebragt door de mededeelingen die omtrent het elektrisch licht gedaan zijn. Eigenaars van gas-fabrijken zijn als door eenen panischen schrik getroffen, en duizenden brieven stroomen dagelijks uit alle oorden des rijks toe, inlichtingen vragende nopens de nieuwe uitvinding. De gas-fabrikanten worden als ’t ware belegerd; zelfs wil men dat verscheidene voorgenomen werkzaamheden uitgesteld zouden zijn totdat de aanwendbaarheid van deze nieuwe soort van verlichting zal bewezen zijn. Volgens eenige wijsgeeren zal elke nieuwe aanwending van hetzelve falen.”

Die wijsgeren kregen ongelijk, want de eerste Britse proef met elektrische straatverlichting – in Londen in december 1848 – was een doorslaand succes. „Dit licht was zoo schitterend”, schreef een krant, „dat de gaslampen dof en onbeduidend schenen.”

Na de straatverlichting volgden allerlei andere toepassingen. Zo stapten trams en treinen over van stoom op stroom.

Vanaf 1896 lezen we in oude kranten geregeld over stroomstoringen. In een discussie over elektrische trams schreef iemand in 1896 in De Telegraaf: „Een ondergrondsche geleiding in onzen natten bodem en ons klimaat is naar mijne meening niet aan te bevelen. De stroomstoringen zullen onophoudelijk voorkomen, vooral bij sneeuw en vorst.’’ Er kwamen inderdaad bovenleidingen – infrastructurele problemen door bladeren op het spoor werden toen nog niet voorzien.

Vanaf 1920 neemt de frequentie van het woord stroomstoring in krantenberichten duidelijk toe. Allerlei bedrijven en instellingen waren inmiddels afhankelijk geworden van wat meestal „elektrische stroom” werd genoemd. Onder de kop ‘Stroomstoring en lichtmalaise in Noord-Brabant’ meldde De Maasbode in 1921: „Ook te Eindhoven heeft de industrie gister van 10 uur af stil gelegen wegens stroomstoring. Om 4 uur had men de oorzaak der storing nog steeds niet gevonden. Zondag heeft zich eveneens een langdurige stroomstoring voorgedaan, zoodat de bioscopen niet draaien konden.’’

De vele treinvertragingen als gevolg van stroomstoringen inspireerden Thomas Verbogt in 2000 in de roman De verdwijning tot een korte beschouwing over het woord stroomstoring. „Ik geloof al lang niet meer in de stroomstoringen waarmee de treinen in dit land om de haverklap zitten opgescheept. Er is iets anders aan de hand, maar dat is geheim. Stroomstoring is een codewoord, zo’n woord dat alles dekt. Zo’n woord kan ik ook wel gebruiken.”

Ewoud Sanders schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders