Sinds die zuuraanval in de gevangenis is hij blind

Misdaad

Miquillio ziet niets meer, sinds een medegevangene zuur in zijn ogen gooide. Dat was in november. Waarom is justitie nog altijd niet hiertegen opgetreden?

De gevangenis in Heerhugowaard, waar de zuuraanval op Miquillio W. in november plaatsvond. Foto Dijkstra BV/ANP

Miquillio houdt zijn hoofd gebogen als hij de bezoekerszaal van het penitentiaire ziekenhuis wordt binnengeleid, een kale ruimte met een snoep- en een koffieautomaat. Zijn hoofd blijft gebogen als hij de hand schudt, gaat zitten, vertelt, weer opstaat omdat het bezoekuur voorbij is, en als hij wordt teruggeleid naar zijn cel. Geen moment kijkt de 29-jarige Miquillio W. op. Waarom zou hij ook, hij is plots blind aan beide ogen.

Het overkwam hem op dinsdagochtend 22 november in de Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard. Drie gevangenen stonden in de gang naar de recreatiezaal, geen bewaarder in de buurt. Ze stonden op een rij, de achterste met een plastic bekertje in zijn hand. Thee, dacht de breedgeschouderde Miquillio nog. Hij had zojuist in een kantoortje van Humanitas zijn 8-jarige dochter erkend en liep het drietal tegemoet. En toen gebeurde het. „Gooi het in zijn gezicht!”, zei er een. Hete thee, dacht hij nog steeds. Totdat Miquillio zijn hele gelaat voelde branden en zijn ogen wilde openen.

Bewaarders kwamen aangelopen en probeerden het bijtende spul, vermoedelijk schoonmaakmiddel dat loog bevatte, uit de ogen van Miquillio te spoelen. Een ambulance haalde hem op en hij onderging meerdere oogoperaties. Maar de kans op verbetering is nihil. „Misschien dat ze nog iets met stamcellen kunnen”, zegt Miquillio, onophoudelijk pulkend aan een tissue – sinds de aanval is hij ook permanent verkouden. „De dokters geven het niet veel kans.”

Gruwelijk, vond de gevangenis de aanval. Medewerkers van de afdeling waren volgens de directie „aangeslagen” en de drie verdachten werden tijdelijk in afzondering geplaatst. Maar daarna bleef het stil. De politie werd in eerste instantie niet ingeschakeld, een onderzoek liet op zich wachten, en nu, bijna twee maanden later, is het drietal nog altijd niet door de politie gehoord.

Miquillio en zijn familie begrijpen er niets van. Zijn advocaat, Bart Swier, net zomin. „Na zo’n ernstig incident informeer je toch meteen de politie? Alleen met direct onderzoek kun je sporen verzamelen, getuigen apart zetten. Je voorkomt ook dat verdachten verklaringen op elkaar kunnen afstemmen.”

Geweldsincidenten

Maar dat is bij geweldsincidenten in de gevangenis niet het protocol, zegt een woordvoerder van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Alleen als de penitentiaire inrichting zelf slachtoffer is, zoals bij vernieling of geweld tegen personeel, doet ze aangifte en begint de politie een opsporingsonderzoek. Bij geweld tussen gedetineerden onderling – zeven op de honderd gevangenen krijgen er jaarlijks mee te maken – gebeurt dat niet. De gevangenis is dan alleen verplicht het incident te melden aan de DJI, niet aan de politie. De DJI hoeft met de melding niets te doen.

„Een gedetineerde moet zelf de afweging maken”, zegt de DJI-woordvoerder. „We stimuleren altijd wel om aangifte te doen, maar het kan zijn dat het slachtoffer liever geen opsporingsonderzoek wenst om de situatie intern niet verder te laten escaleren.” In dit geval, zegt Swier, kón Miquillio geen aangifte doen. Hij lag op de operatietafel, blind. „Dan moet de advocaat namens zijn cliënt aangifte doen”, zegt de woordvoerder. „Starre bureaucratie”, noemt Swier het. „Snelheid is geboden bij zoiets ernstigs, de gevangenis heeft hierin een zorgtaak.”

“Ik denk eigenlijk dat ze vooral wraak wilden nemen.”

Stilaan verpulvert de tissue tussen Miquillio’s handen. Hij denkt te weten wat het motief was. „Misschien vonden ze me te bedreigend, te breed. Ik kan 180 kilo bankdrukken. Maar ik denk eigenlijk dat ze vooral wraak wilden nemen.”

In 2014 kreeg Miquillio een gevangenisstraf van acht jaar voor een poging tot doodslag. De rechter achtte bewezen dat hij het slachtoffer blijvend verlamd aan zijn benen had gemaakt en hij kwam terecht in de PI Heerhugowaard, een gevangenis voor 242 gedetineerden bestaande uit tien afdelingen met cellen aan weerszijden van een smalle gang. „De ene kant noemen ze de Bijlmer, daar zat ik. De andere kant de P.C. Hooft. Waarom weet ik niet goed.”

Er is in de PI Heerhugowaard een activiteitencentrum met arbeidszalen, een winkel en een voorbereidingskeuken en op de eerste verdieping onder meer een sportzaal en een bibliotheek. Individuele gedetineerden verplaatsen zich zelfstandig. Bij normaal gedrag hebben ze recht op minstens 59 uur per week verblijf buiten hun cel. Ze doen aan arbeid, luchten, trainen, recreatie.

Snel een vaste routine vinden waarbij je je prettig voelt, dat is voor elke gedetineerde van belang. En zo stond Miquillio, opgeleid als kok, geregeld voor de hele afdeling in de keuken. „Sommige jongens kunnen niet koken, dus deed ik het. Dan brachten ze allemaal wat mee, olie en zo, en maakte ik nasi, kip.” Miquillio gedroeg zich naar eigen zeggen altijd goed – „Nooit roken op mijn kamer, nooit ruzie zoeken” – en zegt dat hij de positie van reiniger verwierf. „De beste plek die je kunt hebben. Je maakt cellen schoon, de keuken. En tussen half acht en kwart voor vijf mag je vrij rondlopen.” Nieuwelingen gaf hij als reiniger als een van de eersten een hand en maakte hij wegwijs.

Stoken en ophitsen

En zo ontmoette hij twee weken voor de aanval ook een nieuwe gedetineerde die hem meteen niet mocht. Het zou een vriend zijn van het slachtoffer in de zaak waarvoor Miquillio is veroordeeld. „Die jongen zei: blijf uit de buurt. Ik zei: oké, jij doet jouw ding en ik het mijne.” Maar de nieuweling begon te stoken en anderen tegen Miquillio op te hitsen. „Hij zei dat ik uitdaagde. Onzin.”

Miquillio wilde geen problemen, zegt hij, en hij zocht ze ook niet op. „Ik wilde mijn positie als reiniger niet op het spel zetten.” Ja, hij had laatst gedoe met iemand die links in de keuken hoorde te koken maar telkens aan de rechterkant, zijn kant, kwam koken en niets opruimde. Maar verder kon hij met iedereen, ook de bewaarders, goed overweg. Hij voelde zich veilig.

De dag voor het incident kreeg Miquillio bezoek van een bevriende gedetineerde. „Hij kwam naar m’n cel en zei: ze gaan je aanvallen. Dat had-ie gehoord. Wie ‘ze’ waren, wist hij niet.” Bij conflicten kan een gedetineerde worden overgeplaatst, maar dat was nu niet aan de orde. Een bewaarder hebben ze allebei niet gewaarschuwd. „Ik dacht: het zal wel.”

Het was de nieuweling, zegt hij, die de ochtend erna voorop in de gang stond en zei: gooi het in zijn gezicht! Waarom de achterste dat toen deed, weet Miquillio niet. „Ik had de zaterdag ervoor nog voor hem gekookt.” Het spul, zegt hij, stond in de voorraadkast. Een sterk schoonmaakmiddel om onder andere de gaspitten mee te reinigen. „Als je het op de grond morste, kreeg je gele vlekken.”

Toen bleek dat de gevangenis zelf de politie niet inschakelde, verzocht advocaat Swier de recherche om een onderzoek. Op 9 december, zeventien dagen na het incident, deed zijn cliënt aangifte. Maar de verdachten zijn nog altijd niet gehoord. „Is er sprake van een capaciteitsprobleem”, vraagt Swier zich af. „Nee hoor”, zegt een politiewoordvoerder van de eenheid Noord-Holland. Het heeft volgens hem te maken met voorbereidingen. „Die zijn in een gesloten systeem als een gevangenis, waar niet iedereen de beste vriend is van de politie, ingewikkelder dan daarbuiten.” Swier begrijpt er niets van. „Waarom worden die verdachten niet simpelweg aangehouden?”

In het penitentiair ziekenhuis Scheveningen voelt Miquillio de stress intussen oplopen. Hij zal waarschijnlijk detentieongeschikt worden verklaard, waarna hij in een revalidatiecentrum zal moeten leren leven als een blinde. Als het maar snel gebeurt, zegt hij. „Hier zit ik 23 uur per dag op mijn cel. Hier kan ik niets.”