Opinie

20 miljoen dollar voor universiteitsdiploma

Als we op de universiteit geen studenten willen toelaten op basis van ouderlijk inkomen, dan moeten we op zoek naar een andere suikeroom, betoogt Coen Teulings.

Onlangs sprak ik een oude bekende die inmiddels hoogleraar is aan een Amerikaanse top-universiteit. Hij was het afgelopen jaar voorzitter geweest van de toelatingscommissie, die uit tienduizenden aanmeldingen tweeduizend nieuwe eerste jaars moest selecteren. Plichtsgetrouw had zijn staf alle aanmeldingen bekeken. Juist toen hij zijn werk wilde afronden, kreeg hij bezoek van een stafmedewerker van het ‘Development Office’. Dit ‘Office’ gaat over de fondswerving van de universiteit. Licht beschroomd haalde de medewerker een lijstje uit zijn binnenzak, met daarop twintig namen. Natuurlijk, als voorzitter was hij verantwoordelijk voor de uiteindelijke beslissing, maar het zou goed zijn als hij toch nog naar deze namen wilde kijken. De namen op dat lijstje bleken uitstekende kandidaten, net zoals er onder de duizenden kandidaten die de commissie had moeten afwijzen ook veel uitstekende kandidaten zaten. Echter, deze kandidaten konden zich beroepen op de voorspraak van het ‘Office’. Het prijskaartje om op dat lijstje te komen: twintig miljoen dollar. Twintig miljoen voor twintig kandidaten, dat maakt 400 miljoen dollar, ruwweg het jaarbudget van een kleinere Nederlandse universiteit.

De economie kijkt op twee manieren naar onderwijs. Vermoedelijk zijn beide zienswijzen een beetje waar. In de ene kun je een jaar op de universiteit beschouwen als een investering in je menselijk kapitaal. In de collegebanken leer je nieuwe vaardigheden die later in het leven van pas komen en waardoor je later meer verdient.

In de tweede zienswijze zit je niet op de universiteit om iets te leren, maar vooral om te laten zien hoe slim je bent. Toekomstige werkgevers hebben grote moeite om het kaf van het koren te scheiden. Ze gebruiken universitaire diploma’s als lakmoesproef. Niet voor niets staan bij sommige studies de headhunters in de rij. Je studierichting maakt dus uit, op welke universiteit je afstudeert doet in Nederland meestal niet erg ter zake, ze zijn allemaal goed. In Amerika ligt dat anders.

Een diploma van een topuniversiteit is bijna een garantie op een topinkomen. Vandaar dat het dringen is aan de poort. Vandaar ook dat vermogende families graag willen betalen voor een plaatsje voor hun kinderen. En vandaar ook dat de medewerker van de Development Office met enige schroom zijn lijstje uit de binnenzak haalde. Want als toelating wordt bepaald door geld en niet door talent, dan is het met de waarde van het universitaire diploma snel gedaan. Maar voor een paar uitzonderingen wil de universiteit wel een oogje toeknijpen. Me dunkt, twintig miljoen dollar per persoon, dat maakt het de moeite waard. Daarmee kan veel mooi onderzoek worden gefinancierd.

In Nederland willen we dit niet. Wij willen niet dat rijk en machtig zich met geld een toegangskaart voor zijn nageslacht verwerft. Iedereen krijgt gelijke kansen. Daardoor is Nederland in dit opzicht een veel opener samenleving. Iets meer selectie zou geen kwaad kunnen, maar dan op kwaliteit en niet op ouderlijk inkomen. Er is echter één probleem: als we universiteiten die bron van inkomen misgunnen, dan moet het geld ergens anders vandaan komen. Nederland heeft een onwaarschijnlijk efficiënt universitair bestel: hoge kwaliteit voor weinig geld. De rijksbijdrage per student is sinds 2000 met een kwart afgenomen. Topuniversiteiten elders in Europa hebben een budget per student dat minimaal twee keer zo hoog ligt, het budget van het Massachusetts Institute of Technology ligt zelfs acht keer zo hoog.

Steden met een succesvolle universiteit blijken het veel beter te doen. Universiteiten zijn cruciaal voor onze welvaart. Willen wij geen toelating op basis van ouderlijk inkomen? Dan moet we wel een andere suikeroom vinden die al dit zoet voor ons betaalt. Want voor niets gaat het niet.