Zij helpen jonge bedrijven een handje

Investeren Stel: je hebt een leven lang hard gewerkt, daarmee een aanzienlijk vermogen opgebouwd, maar nog geen zin met pensioen te gaan. Dan kun je ervoor kiezen ‘business angel’ te worden: geldschieter voor start-ups of jonge bedrijven.

Illustratie Jenna Arts

Toen Robert Weaver (60) in 2004 zijn bedrijf in digitale betalingen verkocht, besloot hij eerst eens een poosje ‘buiten te gaan spelen’. „Ik wilde even rustig nadenken over mijn toekomst en bijkomen van de hectische periode rond de verkoop”, vertelt hij. Maar zijn veelvuldige verblijf op de tennisbaan bleek slechts ten dele leuk: „Mijn tennisvrienden waren allemaal nog te jong om te stoppen met werken, dus ik stond daar vaak in mijn eentje.” Weaver besloot daarom met het geld dat hij had gekregen voor zijn bedrijf business angel te worden – al dan niet formele investeerders, die jonge bedrijven op weg helpen. Hij begon met een investering in de start-up van twee oud-medewerkers: „als bedankje voor hun bijdrage aan het succes van het bedrijf dat ik net had verkocht.”

Voor hij het wist, klopten er meer ondernemers aan. Inmiddels heeft Weaver met zijn bedrijf Sillion Ventures een tiental investeringen gedaan in ICT-ondernemingen, variërend van tweeënhalf ton tot iets meer dan een miljoen euro. Soms voor een jaar, soms voor vijf jaar. Weaver: „Ik concentreer me nu op bedrijven die de fase van financiering door familie en vrienden voorbij zijn, maar nog geen bedragen van grote investeerders kunnen vragen. In die tussenfase vind je enthousiaste mensen met leuke, vernieuwende ideeën, die openstaan voor advies en er hard tegenaan gaan. Dat vind ik inspirerend.”

Eerst zien, dan geloven

Het aantal business angels is flink gegroeid het afgelopen jaar. Telde de koepelorganisatie Business Angels Netwerken Nederland (BAN), waarbij zeventien ‘angelnetwerken’ zijn aangesloten, in 2015 nog zo’n vijfduizend individuele leden, inmiddels is dat aantal verdubbeld. Onder de nieuwe leden bevinden zich onder meer netwerken van vermogensbanken en crowdfundingplatforms. Toch vormen de leden van BAN slechts een fractie van de markt: nog geen 10 procent van de business angels is georganiseerd. Volgens een grove schatting van crowdfundingplatform Investor Match zouden Nederlandse angels in totaal 1,5 tot 2 miljard euro hebben gestoken in ondernemingen.

Wat drijft business angels om hun geld te steken in opkomende bedrijven? Zonder uitzondering zijn het vermogenden: zakenmensen die veel geld hebben overgehouden aan bijvoorbeeld de verkoop van een eigen onderneming. Soms vinden ze zichzelf nog te jong om al te gaan rentenieren, vaker zijn het mensen die zich geen leven zonder werken kunnen voorstellen – liever spelen ze nog een actieve rol in het bedrijfsleven. Welke rol dat is, hangt af van de afspraken die ze maken met ondernemers: soms is de investeerder louter adviseur en aandeelhouder, soms commissaris of zelfs mede-directeur.

De groei van de economie en de lage rente wakkeren de belangstelling voor investeringen in succesvolle jonge bedrijven aan, zegt René Reijtenbagh, bestuurslid van BAN. Maar daartegenover bespeurt hij ook meer voorzichtigheid dan vóór de economische crisis. Reijtenbagh: „Business angels neigen sinds de crisis naar minder riskante investeringen, uit angst voor faillissementen. Die hebben veel investeerders geld gekost.” Het gevolg is volgens Reijtenbagh dat het voor start-ups lastiger is geworden investeerders te vinden. „Business angels willen nu dat jonge bedrijven eerst iets laten zien en stappen daarna pas in.”

Risico óf rendement

Investeerder Jan van der Beek (67), directeur van onder andere VDB Holdings, kan meepraten over de risico’s die een business angel loopt. Hij begon in 1988 met investeren en heeft inmiddels dertien ondernemingen geholpen. Meestal met succes, maar niet altijd. Zo stapte hij vlak voor de crisis in een windmolenfabriek, die na anderhalf jaar met een lege orderportefeuille zat. „Daar hebben andere partijen toen tientallen miljoenen in moeten pompen, om het bedrijf overeind te houden. Mijn aandeel verwaterde daardoor zo sterk dat het vrijwel niets meer waard was.”

Maar tegenover de grote risico’s staan ook de hoge rendementen. Als het goed gaat, althans. Van der Beek vraagt bijvoorbeeld gemiddeld 15 procent rendement per jaar. „Dat heb ik nodig om de periodieke scheuren in mijn broek te repareren”, lacht hij. Al gaat het inmiddels minder vaak fout dan toen hij net begon met investeren. Van der Beek houdt het aantal investeringen nu bewust beperkt, want „hoe meer investeringen, hoe lager je de lat per onderneming gaat leggen”. Volgens koepelorganisatie BAN is het gangbaar dat investeerders tien tot twintig maal hun inlegbedrag terugeisen, wanneer het bedrijf succesvol blijkt. Circa de helft van de investeringen draait volgens de organisatie uit op een mislukking.

Van der Beek, wiens investeringen uiteenlopen van een ton tot een kleine twee miljoen euro, stelt nog meer eisen aan bedrijven waarin hij investeert. „Om te beginnen kijk ik naar de vent en de tent: heb ik te maken met een echte ondernemer? Als iemand ontslagen is en noodgedwongen een bedrijf opzet, wil dat bijvoorbeeld nog niet zeggen dat hij ondernemersbloed heeft”, zegt Van der Beek. Daarnaast moet het bedrijfsplan volgens hem begrijpelijk zijn en moet de ondernemer ook eigen geld in zijn bedrijf steken. „Hij moet eventuele tegenslag zelf als eerste voelen en volledig voor het bedrijf gaan. Bovendien controleer ik altijd of de partner achter het bedrijf staat. Als ondernemer moet je keihard werken, het thuisfront moet dat wel steunen.”

Welke rol Van der Beek in de deal krijgt? „Dat hangt geheel van de situatie af”, zegt hij. „Wat mijn gevoel me ingeeft: soms word ik mede-directeur, soms fungeer ik alleen als klankbord, in samenspraak met de ondernemer. Maar het mooiste is als je een natuurlijke autoriteitsrelatie kunt opbouwen, waarbij de ondernemer je graag raadpleegt. Dan gaat de samenwerking meestal goed.”

Ook investeerder Weaver stelt strenge eisen aan bedrijven die geld van hem willen. Heeft het bedrijf een uitgebalanceerd team, met technisch en commercieel talent? Heeft de ondernemer goed zicht op zijn concurrenten en een goed verdienmodel? Toch gaat er met enige regelmaat iets fout, vertelt hij. „Dan blijk ik toch te veel op mijn gevoel vertrouwd te hebben en het bedrijf te weinig te hebben geanalyseerd. Of ik heb te weinig naar mijn eigen rol gekeken: wie stuurt er bij als het mis dreigt te gaan, wie heeft zeggenschap over wat? Zo’n conflict kan leiden tot ruzie of zelfs tot het opdoeken van het bedrijf, omdat ik er geen geld meer in steek. Maar ja, dan ben ik wel mijn investering kwijt.”

Anderen verder helpen

Weaver heeft om die reden ook niet ál zijn geld in investeringen gestoken. Zijn advies: als business angel moet je minimaal vijf miljoen vermogen hebben waarvan je 5 tot 10 procent in verschillende ondernemingen steekt, bij voorkeur samen met andere investeerders. Zo’n samenwerking zie je steeds meer, zegt Reijtenbagh: „Investeerders gaan steeds vaker samenwerken om risico’s te spreiden en om te kunnen concurreren met grotere investeringsmaatschappijen.” Want nu de economie aantrekt, groeit de concurrentie om te kunnen investeren in de aantrekkelijkste bedrijven, zegt hij.

Een andere trend is dat investeerders zich specialiseren. Als ze hun eigen kennis en netwerk kunnen inbrengen in een jong bedrijf, stijgt de kans op succes. Dat ondervond Van der Beek bijvoorbeeld toen hij in zee ging met een Italiaans ICT-bedrijf gespecialiseerd in de zorg, dat voet aan de grond wilde krijgen in Nederland. Van der Beek: „Ze wilden veel te veel zelf bepalen vanuit Italië, terwijl de zorg daar heel anders is georganiseerd dan hier. Ze hadden meer aan Nederlandse investeerders moeten overlaten, die de zorg hier kennen. Het avontuur is dan ook mislukt.”

Raden Van der Beek en Weaver het vak van business angel aan? Ja, zegt Van der Beek, want je ontmoet veel leuke mensen met nieuwe ideeën. Ook Weaver reageert positief: „Volmondig ja. Je bent altijd bezig met inspirerende mensen en nieuwe bedrijven. En ik heb het gevoel dat ik maatschappelijk nuttig werk doe, omdat ik met mijn geld anderen verder help.”