Opinie

    • Maarten Schinkel

Verkiezingen, de euro en de staatsschuld

Verhoogt een succes voor de PVV straks de leenkosten voor de Nederlandse staat? Langzaam komen de verkiezingen van 15 maart in het vizier van de financiële markten. Waarom? Zo belangrijk is Nederland niet. Het monetaire en financiële beleid is voorspelbaar, op het saaie af. De missie: volg Duitsland, waar het ook gaat. Dat is al een kleine veertig jaar het geval, sinds de deze maand overleden centrale bankier André Százs dit beleid eind jaren zeventig in gang zette.

Slechts drie keer rommelde het sindsdien. In 1983, toen het kabinet-Lubbers een revaluatie van de Duitse mark slechts gedeeltelijk wilde volgen. Dat leidde tot een vertrouwensbreuk op de financiële markten, waardoor de staat jarenlang meer rente betaalde dan nodig. De tweede keer was in 1996. Toen zat de gulden al meer dan tien jaar muurvast aan de D-mark. Maar omdat Nederland het economisch beter deed dan Duitsland, raakte de gulden langzaam overgewaardeerd tegenover de Duitse munt. De onthulling daarvan, in deze krant trouwens, zorgde voor een kortstondig hobbeltje, maar uiteindelijk ging de Nederlandse munt onveranderd de euro in. De derde en laatste keer was in 2012, toen het kabinet Rutte-1 viel en er geen begrotingsakkoord was. Het gekoesterde kleine renteverschil met Duitsland liep meteen op, paniek in de tent en een dag later was er het zogenoemde Lenteakkoord.

Of er nu een vierde keer komt zal nauwelijks aan Nederland zelf liggen. De staatsschuld is relatief laag. Het begrotingstekort is vrijwel weg, volgens het CPB. En wie het emissieplan voor de staatsschuld in 2017 bekijkt, gaat bijna denken dat het ministerie van Financiën al rekening houdt met een begrotingsoverschotje. Bovendien is er altijd nog de ECB. Haar opkoopbeleid wringt al in landen als Nederland en Duitsland, waar al bijna niet genoeg staatsschuld meer is om in te kopen. Vandaar dat nu ook kortere looptijden dan 2 jaar mogen worden opgekocht en er, daarmee samenhangend, ook schuld mag worden gekocht met een rente die lager is dan de ondergrens van -0,4 procent van de ECB zelf.

Probeer onder die omstandigheden maar eens paniek te zaaien: het kán bijna niet eens. Een verhoging van de rente op de staatsschuld met 0,1 procent ten opzichte van Duitsland – al een hele sprong – kost ons land na zeven jaar 363 miljoen euro. Altijd geld natuurlijk, maar niet iets om wakker van te liggen. Nog vorige week haalde de staat 940 miljoen op bij beleggers voor een al lopende dertigjarige staatslening. Effectieve rente: een fooi van 1,145 procent.

Alles rustig dus? Niets is onmogelijk. De Financial Times besteedde maandag aandacht aan Nederland, de verkiezingen en de markten. En dan kun je net zo snel wegduiken als je wil, het Oog van Sauron heeft je gevonden. De verkiezingen in Nederland worden vooral gezien als een proef voor veel belangrijker gebeurtenissen later in het jaar: de Franse presidentsverkiezingen in mei en de Duitse Bondsdagverkiezingen in het najaar. Mocht de PVV het heel goed doen, dan is dat een teken. Maar dan nog: stel dat zich in Europa een dynamiek ontwikkelt die het bestaan van de euro bedreigt. Het einde van de munt kan zorgen voor een ongekende economische ramp. Maar in welk kamp zou Nederland, mocht de euro uiteenvallen, uiteindelijk terechtkomen? Precies: het Duitse. En wees gerust, dat weten beleggers ook.

Maarten Schinkel schrijft over macro-economie en de financiële markten.
    • Maarten Schinkel