Column

Rokers

De laatste keer dat ik begon met roken – anderhalf jaar geleden – kwam door de kraamhulp. Zo’n echte Amsterdamse, type niet lullen maar poetsen. Ik liet me regelmatig door haar naar de buurtwinkel sturen voor koffiemelk, want ze dronk de koffie niet graag zwart. Tussen het verschonen van de luiers door zat ze op mijn stoel op ons balkon, waar ze mijn asbak vol rookte.

Halfzware Drum, mijn merk.

Ik had na de geboorte van de dochter heel melodramatisch een laatste sigaret gerookt op het dak van het OLVG-ziekenhuis in Amsterdam. Met een Marokkaan die ook net vader was geworden.

„Ik stop ook, man!”, zei hij toen ik zei dat het mijn laatste sigaret was. We gooiden onze rookspullen van het dak naar beneden en boksten met onze vuisten tegen elkaar, een gebaar van verbroedering waar ik eigenlijk te onhandig voor ben.

Drie dagen later duwde de kraamhulp haar leren etuitje met daarin haar Drum in mijn hand.

Het werd herfst, winter, lente, zomer, herfst en winter, op pakjes shag verschenen foto’s van bloedopgevende vrouwen, een gat in een keel waarin ik in eerste instantie een anus zag, en hoestende kinderen. Ik rookte in de regen op het balkon, stond in de deuropening van het buurtcafé met Spijk, een man van wie de snor geel was uitgeslagen, en liet me met enige regelmaat ongevraagd door iedereen die maar wilde vertellen dat ik naar rook stonk, wallen onder mijn ogen had en dat ik mijn kind niet zou zien opgroeien.

De laatste keer dat ik stopte, kwam doordat ik in Het Parool een interview met longarts Wanda de Kanter van het Antonie van Leeuwenhoek-ziekenhuis las. Ze kwam met keiharde cijfers, had het over schuldgevoel bij mensen die door roken ongeneeslijk ziek waren geworden. Ze zag rokers als slachtoffers van de tabaksindustrie en van de politiek die weigerde om effectieve maatregelen te nemen, zoals het terugbrengen van het aantal verkooppunten en het drastisch verhogen van de prijs van een pakje sigaretten.

Het hielp.

Over anderhalve maand krijgen we ons tweede kind, een meisje. We noemen haar geen Wanda, maar dat is alleen omdat we dat een lelijke naam vinden. Een fantasie is dat ze ons bij toeval weer dezelfde kraamhulp toeschuiven. Dat leren etuitje met shag nog steeds in de kontzak van haar spijkerbroek. En dan bij binnenkomst meteen zeggen dat ze naar rook stinkt.