Column

Opgedonderd

Buiten raasde het verkeer, in de kopieerwinkel was het weldadig rustig. Bij kopiëren en printen hoef je niet te praten, je doet het in je eentje, de enige verstandhouding die ertoe doet is die met het apparaat. Daarom gebeurt er in kopieerwinkels zelden iets opmerkelijks, behalve die middag – je zult het altijd zien – toen ik er toevallig was.

Ik stond gedachteloos mijn kopietjes te maken, toen mijn aandacht getrokken werd door een ouder echtpaar dat in een soort gevecht leek verwikkeld met het apparaat. „Begrijp jij dat nou?”, zei de vrouw tegen haar man terwijl ze hem een kopietje liet zien, „ik krijg ’m niet zo helder als anders, er loopt een donkere kleur door.”

Haar man was een statige zeventiger, die zijn hoed – deze dag een belangrijk wapen tegen de kou – had opgehouden. „Probeer het nog es”, mompelde hij, duidelijk met zijn gedachten elders. De vrouw herhaalde haar poging, maar bleef ontevreden over het resultaat. Ze liep naar de balie en vroeg vriendelijk om advies. De baliemedewerker keek haar aan alsof ze voor het Leger des Heils „een bijdrage” kwam vragen en verroerde geen vin. „Kunt u misschien zelf even komen kijken?”, vroeg de vrouw.

Met duidelijke tegenzin kwam hij achter de balie vandaan en liep met de vrouw naar de machine. Hij wierp er een blik op en zei: „Krantenknipsels gaat niet goed, je blijft de achtergrond altijd zien.” „Welnee’”, zei de vrouw, „ik kom hier al twintig jaar en het is me nog altijd gelukt.” De medewerker haalde zijn schouders op en liep naar de balie terug. „Mooie service”, riep de man van de vrouw hem achterna.

De medewerker kwam terug. „Dat heeft niks met service te maken”, bitste hij. Het was een man van in de dertig, klein en pezig; hij sprak goed Nederlands met een licht Noord-Afrikaans accent. Er volgde een woordenwisseling op hoge toon, waarvan ik alleen een uitroep van de klant verstond: „Ach, man, donder toch op.”

De medewerker reageerde alsof hij door een PVV’er gebeten werd. „Donder op? Wat zeg je nou? Donder op? Donder zelf op!” Hij ging vlak voor de klant staan en zei dreigend: „Jij gaat de zaak uit. Nú! Donder op!”

„Rustig nou, Peter”, zei de vrouw terwijl ze nerveus haar papieren op het apparaat bij elkaar zocht. Peter leek te aarzelen. Een snelle aftocht trok hem kennelijk niet, maar hij had weinig keus: het werd vechten of vluchten. Als hij wilde vechten, kon hij beter eerst zijn hoed afzetten, al was het dan niet uit beleefdheid. Maar hij leek vooral verbaasd, alsof hij niet beseft had dat „donder op” een nogal ongelukkige uitdrukking is tegen iemand die zich in Nederland misschien toch al niet meer zo welkom voelt.

Hij draaide zich maar om en liep de winkel uit, de medewerker op zijn hielen. „Jij moet oppassen”, zei hij nog wel, terwijl hij achterom keek naar zijn uitsmijter. „Waarvoor moet ik oppassen?” blies de medewerker, „nou, waarvoor?”

„Voor jezelf”, zei Peter.

Bij de uitgang stonden ze weer tegenover elkaar. „Jij, ouwe man”, zei de medewerker voordat hij hoofdschuddend terugliep naar de balie. Peter drukte zijn hoed vaster op zijn hoofd en verliet de winkel. Zijn vrouw had haar spullen vergaard en dribbelde ontsteld achter hem aan.

De rust keerde terug in de winkel.