IFFR: duistere film over een groep Franse aanslagplegers

IFFR Bertrand Bonello over ‘Nocturama’, zijn film over twintigers die een reeks gelijktijdige aanslagen plegen in Parijs. „Deze jongeren zijn wanhopig. Wat is daar hip en cool aan?”

De nieuwe film van de Franse regisseur Bertrand Bonello (Nice, 1968) zal wel te zien zijn op het Rotterdams filmfestival, maar het festival van Cannes liet de eer aan zich voorbijgaan. In Cannes gingen de meeste films van Bonello (Le pornographe, L’Apollonide: Souvenirs de la maison close, Saint Laurent) in première. Maar het onderwerp van Nocturama lag vermoedelijk te gevoelig voor het festival, dat het afgelopen jaar zware extra beveiligingsmaatregelen moest nemen.

Nocturama is een zeer gestileerde, fraai vormgegeven film over een groep Parijse twintigers van uiteenlopende pluimage, die – zonder duidelijk uitgesproken motief – een reeks gelijktijdige aanslagen pleegt in Parijs. De groep houdt zich daarna een nacht schuil in een luxueus warenhuis. De doelwitten zijn symbolen van de Franse staat en het kapitaal: het ministerie van Binnenlandse Zaken, een wolkenkrabber in een kantoorwijk en een standbeeld van Jeanne d’Arc.

De trailer van Nocturama.

In Frankrijk kwam de film eind augustus uit – zes weken na de aanslag in Nice. Bonello moest in interviews op eieren lopen om zijn bedoelingen met de film goed uit te leggen. Het aantal bezoekers in Frankrijk bleef steken op 60.000 – niet heel slecht voor een arthousefilm, maar ook niet geweldig. Er valt ook wel wat aan te merken op Bonello’s romantische idealisering van opstand en rebellie, maar Nocturama – vernoemd naar een albumtitel van Nick Cave – is tenminste een film die de kijker aan het denken zet.

Uw film speelt in een nogal gestileerde wereld. Hoe realistisch is de film?

Bonello, over de telefoon uit Parijs: „Ik zocht naar een mengvorm van ultra-realisme en abstractie. Het ultra-realisme komt vooral terug in de eerste helft van de film, als je ziet hoe de aanslagen precies worden gepleegd. Dat breng ik zo accuraat mogelijk in beeld. De tweede helft, als de personages zich een nacht schuilhouden in een warenhuis, is veel abstracter. In een warenhuis of een winkelcentrum verlies je het contact met de werkelijkheid. Een warenhuis geeft mensen het idee dat alles goed komt, dat alles perfect is. Die onwerkelijkheid wil ik laten zien.”

U geeft de kijker geen handreiking hoe u de aanslagen beoordeelt. Dat blijft ambigu.

„De grootste ambiguïteit is misschien dat de tweede helft van de film zo anders, en misschien zelfs in tegenspraak is met de eerste helft. Ik leg niet echt uit wat het doel van de aanslagen is. Maar uit de doelwitten die ze opblazen, kun je afleiden wat hun voor ogen staat. Ze keren zich tegen de staat en het kapitaal. Maar in de tweede helft van de film, als ze in het warenhuis verblijven, worden ze door datzelfde kapitalisme verorberd.”

Ze komen in opstand tegen de consumptiemaatschappij, waar ze ook mee verstrengeld zijn.

„Dat is wat de film voor mij zo eigentijds en realistisch maakt. De huidige wereld roept zowel terreur op, als een vlucht in consumptie. We associëren terrorisme nu vrijwel uitsluitend met IS. Maar ik dacht bij het maken van de film aan een fenomeen dat al veel ouder is: aan de hele geschiedenis van revolutie, van mensen die in opstand komen tegen onrecht. Elk idee van terrorisme is nu verbonden met religie. Dat maakt het lastig om te zien wat ik met de film precies beoog. Ik benadruk steeds dat je de film uitsluitend als een film moet beschouwen. Maar dat ligt bij dit onderwerp momenteel in Frankrijk heel ingewikkeld. Daar heb ik ook alle begrip voor.”

Maar er zijn toch ook associaties tussen de film en de werkelijkheid?

„Natuurlijk zijn er verbanden met de huidige wereld, maar niet op een letterlijke of directe manier. Ik wilde een eigentijdse film maken, over de enorme spanning in wereld van vandaag. Maar dit is geen film over het nieuws of over de actualiteit.”

Bij de aanslag op een glazen wolkenkrabber denkt iedereen toch aan 9/11?

„Dat zijn waarschijnlijk de sterkste beelden van de eeuw. Die beelden zullen je altijd bijblijven. Maar in de film wilde ik dat de jongeren geen moordenaars zouden zijn. Ze plegen aanslagen tegen symbolen, niet tegen mensen. Ze willen een zo sterk mogelijk beeld creëren, ze zijn er niet op uit om te doden.”

Maar er vallen wel doden. Er vindt een moordaanslag plaats op een zakenman.

„Er is één moord, ja. Maar voor het overige gaat het vooral om de beelden en symbolen, ze willen een soort schreeuw laten horen. Daarbij vinden ongelukken plaats, er vallen slachtoffers bij, mensen die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zijn. Maar daar zijn ze niet op uit. Ze zijn geen moordenaars. Na de explosies zijn ze compleet verloren. Dan hebben ze niets meer te zeggen.”

Na de aanslagen lijken ze een soort regressie door te maken, weer kinderen te worden.

„De film gaat veel meer over de jeugd dan over IS of over religie. Ik wilde een portret maken van de generatie die is geboren rond het midden van de jaren negentig. Dat is een generatie die door internet permanent in verbinding staat met alles, maar die tegelijk totaal verloren is, die alles weet en tegelijkertijd niets weet.”

Loopt u niet het risico geweld vooral esthetisch te beschouwen?

„Geweld is in de kunstgeschiedenis altijd een groot thema geweest. Niet om mezelf te vergelijken, maar neem de schilderijen van Caravaggio. Dat zijn vaak de meest gewelddadige beelden, maar die hebben tegelijkertijd een grote schoonheid. Ik begrijp niet waarom ik bij een geweldsscène niet meer zou mogen nadenken over licht, camera en montage.”

De personages komen uit verschillende milieus: van heel elitair tot de banlieue.

„Het begin van de film, als al die verschillende jonge mensen samenkomen, is voor mij een soort utopie. Ze hebben misschien niet dezelfde redenen om in opstand te komen, maar ze kunnen wel hetzelfde gevoel hebben en dezelfde woede delen. Ik wil laten zien dat hun verzet geen specifieke oorzaak heeft. We leven in een wereld waarin informatie altijd snel en helder moet zijn. Maar die helderheid bestaat helemaal niet. Ook niet bij religieuze terroristen. Religie zou hun die helderheid moeten verschaffen, maar in hun hoofden is er net zo goed chaos.”

Wat vindt u van het verwijt dat u geweld en terreur hip en cool zou maken?

„Voor mij is dit een duistere film over jongeren in een wanhopige situatie. Wat zou daar cool en hip aan kunnen zijn?”

In hoeverre leven dit soort ideeën van opstand en rebellie nu nog?

„Ik weiger om daar volstrekt pessimistisch over te zijn. Misschien duurt het nog tien jaar, maar er gaat weer iets gebeuren. Dat weet ik zeker.”