Interview

‘Mijn muze is de medewerker van de benzinepomp’

Interview Ronald Kolk, couturier

Ronald Kolk ontwerpt kleding voor acteurs, artiesten én bedrijven. ‘Een goed uniform helpt werknemers om hun rol te spelen.’

Foto Merlijn Doomernik

Couturier Ronald Kolk (66) noemt zichzelf een dienstverlener. Maar je zou ook kunnen zeggen: een tovenaar. Hij beïnvloedt hoe anderen de werkelijkheid ervaren, zonder dat ze zich daar bewust van zijn. Je snapt het als je hem hoort praten: „Het is niet zo dat elke klant van het Amstel Hotel nadenkt over de uniformen van het personeel, maar die uniformen hebben wel invloed op hoe ze zich in het Amstel Hotel voelen. Daarin schuilt de magie.”

Of Ronald Kolk nu kleding ontwerpt voor musicalsterren of voor sportinstructeurs, hij doet dat met hetzelfde gevoel voor drama. Zijn filosofie: ieder mens staat op een toneel. En zijn kleding moet het iemand makkelijker maken om zijn of haar rol te belichamen.

Wat draagt Ronald zelf naar zijn werk, vandaag? Een zwart overhemd, met opgestroopte mouwen en een zwarte broek. In zijn atelier moet hij zich gemakkelijk kunnen bewegen. Maar tijdens een presentatie van zijn collectie in de RAI in Amsterdam later op de dag draagt hij een smoking, van eigen ontwerp. „Ik regisseer alles”, zegt hij: hij heeft een maand geleden alle outfits die hij deze maand zou dragen al klaar gehangen.

Muze bij de benzinepomp

Eigenlijk wilde Kolk acteur worden, maar hij werd afgewezen voor de theaterschool. Dus ging hij naar de kleermakersvakschool. „Een logische keuze: ik ontwierp mijn eigen luiers al”, grapt hij. Hij werkte voor modeontwerpers Frans Molenaar, Mart Visser en Kenzo, kleedde actrice Bette Midler en zangeres Grace Jones, en woonde in India, op Ibiza en in New York, voordat hij in 1998 zijn eigen label begon.

Daarnaast ontwerpt hij sinds midden jaren zestig theaterkostuums en bedrijfskleding, onder andere voor musea, restaurants en ziekenhuizen, voor supermarktketen Dirk van den Broek, luchtvaartmaatschappij Transavia, oliemaatschappij Total en het Amstel Hotel. Een muze heeft hij niet. „Mijn muze hangt af van de opdracht,” zegt hij. Soms is het Liesbeth List, soms is het de medewerker van de benzinepomp. „Maar in alle gevallen vertel je een verhaal.”

In zijn eigen collecties wordt dat verhaal bepaald door een thema dat hij van tevoren kiest, night clubbing bijvoorbeeld. „Daar bouw je de show en de collectie dan omheen.” Voor zijn theaterkostuums wordt het bepaald door het script van de regisseur of door het repertoire van de zangeres. Voor zijn bedrijfskleding wordt het bepaald door de klant. „Het toneel is de omgeving waarin de werknemers hun werkkleding dragen. De acteurs zijn de werknemers zelf.”

Lelijke apparaten

Als je je goed voelt in je kleding, dan ben je geloofwaardiger in je rol. Dat geldt voor een vrouw in een galajurk op een chique feest, voor Liesbeth List die een Franse chanson zingt op een podium, maar óók voor de portier van het Amstel Hotel. „Je bent nog steeds dezelfde persoon, maar door je kleding vergroot je een bepaald aspect van je persoonlijkheid, je vriendelijkheid bijvoorbeeld of je mannelijkheid. Je wordt wat de rol van je verlangt.”

Mensenkennis is belangrijk in zijn vak. Je moet weten wat klanten willen uitstralen. En je moet weten hoe je dat kunt bereiken. Ronald: „Als hier een klant binnenkomt dan registreer ik alles. Hoe ze loopt, hoe ze gaat zitten. Aan de juwelen zie ik meteen wat het budget is. Aan het kapsel zie ik naar wat voor soort kapper ze gaat. Zonder dat ze het in de gaten heeft, vind ik uit wat voor werk ze doet, hoe haar sociale leven eruit ziet, in welke kennissenkring ze zich beweegt, en dus in welke omgeving ik mijn ontwerp voor haar moet plaatsen. Zo doe ik dat ook voor een bedrijf: wie zijn ze, hoe willen ze overkomen?”

Voor de bedrijfskleding van het Amstel Hotel dook hij bijvoorbeeld in de geschiedenis. „Het personeel droeg altijd een rokkostuum, op alle foto’s die je kunt vinden. Aan de ene kant wil het hotel die klasse in stand houden. Aan de andere kant willen ze niet letterlijk de oude rokkostuums blijven dragen, het is toch een andere wereld. Dus ik heb die oude rokkostuums geüpdatet. Bij wijze van spreken niet naar 2016, maar meteen naar 2020. Het ontwerp moet modern zijn en tijdloos tegelijk. Je moet rekening houden met het feit dat ze er een aantal jaren mee moeten doen. Het mag nooit ouderwets worden.”

Bekijk ook de fotoserie van de werkpakken van de hotelportiers van Amsterdam

Met de werknemers praat hij over de problemen in hun pakken. „Over wat ze allemaal mee moeten nemen naar hun werk bijvoorbeeld: sleutels, pasjes, telefoons. Dat zijn lelijke apparaten, dus die wil je niet laten zien. Het moet allemaal een plek vinden.”

Met kleuren bepaalt hij de stemming, van de mensen die het uniform dragen, maar ook van de mensen die door die mensen geholpen worden. „Waarom is een theater helemaal rood? Rood is gezellig. Zet een theater in het bruin en het is een heel andere ervaring. Zo wil je ook niet geholpen worden door een dokter in een bruine jas. Een begrafenisondernemer in een zwart pak is misschien deprimerend, maar felle kleuren zijn weer raar.”

Ronald ontwierp zijn uniformen voor Transavia ooit in turquoise. „Zichtbaar moesten ze zijn. En ze mochten niet lijken op andere vliegtuigmaatschappijen. Ze moesten autoriteit uitstralen, maar ook gezelligheid. De helft van een vlucht zijn medewerkers bezig met kopjes koffie.”

De huisstijl van Total was rood. „Rood is een gevaarlijke kleur voor mannen. Een man heeft lef nodig om zich in rood te kleden. Dus moet je dat rood dan mannelijk gaan hanteren, bijvoorbeeld door het te combineren met zwart, zo maak je het weer minder vrouwelijk.”

De uniformen voor het Amstel Hotel ontwierp hij in een teint donkerblauw die speciaal voor het Amstel Hotel werd samengesteld. „Op die manier zorg je dat een klant en een werknemer nooit per ongeluk hetzelfde pak zullen dragen.”

Lees ook de laatste editie van het Werkpak: Het werkpak van een zzp’er

Knoopje eraf, zakje erbij

Met bedrijfskleding geef je een bepaalde boodschap en doordat zender en ontvanger op die boodschap reageren, wordt die boodschap werkelijkheid.

In het algemeen denken bedrijven te gemakkelijk over hun uniformen, vindt Ronald. „Veel bedrijven bestellen hun kleding bij bureaus die standaard bedrijfskleding maken. Dan kun je kiezen: een knoopje eraf, een zakje erbij. Er zijn maar enkele bedrijven die een couturier of een ontwerper inschakelen.” Terwijl een groot deel van Nederland dagelijks rondloopt in bedrijfskleding.

Hoe zou Nederland eruit zien als hij alle bedrijfskleding mocht ontwerpen? Na even nadenken antwoordt hij: „Menswaardiger. Het is allemaal zo prachtig: onze lijven. We zijn allemaal uniek. Dat moet je eren.” Het leven is geen sprookje, geen theater, geen musical, geen opera. „Maar”, zegt Ronald, „als je het trucje begrijpt kun je dat er wel van maken.”