Opinie

Het mecenaat is geen pinautomaat

Overheid, schuif de verantwoordelijkheid voor kunstfinanciering niet af op particuliere gevers, schrijft .

Kunstorganisaties moeten sinds zes jaar in hoog tempo meer eigen inkomsten werven, onder meer uit mecenaat. Sinds 2010 verdween 150 miljoen euro per jaar van de cultuurbegroting van het Rijk en met ingang van 2013 liep dat op tot 200 miljoen per jaar: maar liefst 25 procent van de totale kunstbegroting, die eens 800 miljoen euro bedroeg. Daar komen bezuinigingen van provincies en gemeenten nog eens bij – gemiddeld tussen de 10 en 20 procent. Geen enkele andere sector is zo zwaar gekort als de cultuur. De snelheid waarmee nu van een subsidiesysteem overgeschakeld moet worden naar een geefcultuur vormt een extra probleem.

Mecenaat is geen pinautomaat; een relatie met een gever opbouwen kost tijd. En de recessie hielp ook niet mee. Uit mijn onderzoek naar motivatie van particuliere donateurs blijkt bovendien dat vragen om een gift ter compensatie van – dreigende – tekorten slechts tijdelijk effect heeft. Publiek en privaat geld vormen geen communicerende vaten. Er moeten andere, inhoudelijker argumenten worden ingezet om burgers te overtuigen de kunst te steunen.

De eerste stap is de regie over het maatschappelijke debat terugnemen en voortaan spreken over de autonome waarden die kunst vertegenwoordigt, in plaats van over wat zij kost. Waarom protesteert de kunstsector niet unaniem als er een museum wordt gesloten, zoals Nusantara in Delft, omdat een gemeente moet bezuinigen? Sinds wanneer accepteren wij het dat een kastekort dat buiten de schuld van de kunstsector is ontstaan, gecompenseerd wordt uit cultuurgeld? De voorgenomen afschaffing van de succesvolle Monumentenaftrek is daar een voorbeeld van.

Dat publieke debat moet helder gevoerd worden zodat ook voor gevers duidelijk is wat de overheid financiert uit hun belastinggeld en waarvoor aanvullende donaties worden ingezet. Uit algemene middelen behoort de overheid zaken van algemeen nut te subsidiëren, zoals de zorg voor een goede culturele infrastructuur, onderhoud van gebouwen en betaling van personeel.

Pas als de deuren van museum of podium openen, kunnen bezoekers aangesproken worden op een extra bijdrage, naast het kaartje dat ze gekocht hebben. Om bijzondere projecten te steunen, zoals experimenten of kleinschalige initiatieven die niet volledig uit reguliere budgetten betaald kunnen. Samengevat: publiek geld is bedoeld om te faciliteren, privaat geld is aanvullend voor het excelleren.

Daarnaast is het verstandig de overspannen verwachtingen over oplopende private giften goed te onderzoeken. In Europese landen die een verzorgingsstaat hebben (gehad) met een sterke centrale overheid, is een marktmodel voor de kunst niet alleen onwenselijk, maar ook onrealistisch.

Onwenselijk, omdat voorkomen moet worden dat de nadruk op grote gevers het elitaire imago van de sector versterkt, terwijl de cultuurspreiding in Nederland juist verder gestimuleerd moet worden onder bijvoorbeeld jongeren en allochtone groepen. Kunst in openbare instellingen is immers een collective good en geen privéaangelegenheid.

Onrealistisch, omdat giften van burgers forse bezuinigingen bij lange na niet kunnen opvangen.

Overigens is Nederland met 13 procent van de bevolking die weleens geeft aan een kunstorganisatie het tweede geefland op cultuurgebied in Europa. Het Verenigd Koninkrijk staat met 18 procent op de eerste plaats, terwijl het kunstminnende maar centralistische Frankrijk slechts 6 procent scoort. Maar de gemiddelde Nederlandse gift is bescheiden: tussen de 35 en 40 euro, aldus de Individual International Philanthropy Database in 2016. Die relatief breed gedragen geefbereidheid voor cultuur en de aanzienlijke bezoekersaantallen bewijzen een belangrijk maatschappelijk draagvlak, waarmee de sector het debat overtuigend naar zich toe kan trekken.

Kunstsector, laat geld en betrokkenheid van burgers niet misbruiken door een calculerende overheid ter compensatie van bezuinigingen. Bescherm de kunst tegen inflatie door het debat te verleggen naar de inhoud.

Geld is immers een middel; het doel is mensen door kunst een rijker leven te bieden. Door schoonheid, reflectie, kritisch vermogen te bieden en te stimuleren.

Daarvoor moeten we op de bres en het is effectiever als we dat als sector gezamenlijk doen.