Recensie

De mensjes van Verbeke

Bundel De mensen in Annelies Verbekes verhalen zijn altijd wel een beetje jaloers, gefrustreerd of rancuneus en uiten die gevoelens vaak op een indirecte manier.

Tekening Paul van der Steen

Annelies Verbeke wijdde haar vorige twee romans aan wat je goede mensen zou kunnen noemen. In Vissen redden (2009) probeerde een jonge vrouw iets te doen aan de mondiale overbevissing. En in Dertig dagen (2015) was het een Jezus-achtige migrant, van Senegalese afkomst, die er alles aan deed om problemen op te lossen en mensen met elkaar te verzoenen. Een gunstige afloop zat er in beide gevallen niet in, maar de snedig geformuleerde reddingspogingen werden met veel instemming gelezen.

Zet ze deze wereldverbeterende trend voort in haar nieuwe verhalenbundel?

Op grond van de jubelende titel, Halleluja, zou je denken van wel. Maar in de praktijk blijken de vijftien verhalen wat minder universele pretentie te hebben dan de romans. We hebben hier vooral te maken met de alledaagse troebelen tussen ‘de mensjes’, zoals Verbeke (1976) haar verhaalfiguren in Groener gras (2007) ooit wat medelijdend betitelde.

Wat zijn dat zoal voor mensjes?

Een directiesecretaresse die het moet zien uit te houden met een lastige baas. Een schuw meisje dat overmatig gespierde mannen moet verwelkomen in een sportschool. Een jongen die vijf jaar in de gevangenis heeft gezeten en aan zijn moeder probeert uit te leggen wat hij heeft gedaan. Een jonge vader die vreemd gaat met een nog jongere journaliste.

Wat al die verschillende mensjes met elkaar verbindt is dat ze zich, altijd en overal, ongemakkelijk voelen over hun leven. Altijd schuurt er wel iets. Dat ongemakkelijke basisgevoel, haar handelsmerk, weet Verbeke steeds feilloos over te brengen. De mensen zijn altijd wel een beetje jaloers, gefrustreerd of rancuneus en uiten die gevoelens vaak op een indirecte manier.

Wildvreemd huis

Normale perikelen, zo op het eerste oog. Toch zijn de verhalen in Halleluja niet allemaal even gewoon. Er gebeuren soms rare dingen. In het verhaal ‘Bus 88’ wordt een vrouw op een ochtend wakker in een wildvreemd huis, in een vreemde stad. Dan blijkt ze ineens een dochtertje te hebben dat op tijd naar school moet en een man die Jonas heet.

Een andere vrouw, in een ander verhaal, verandert op z’n Kafka’s in een bruine beer, zonder dat iemand er raar van opkijkt. En wat te denken van de celliste en de pianist in ‘Wilde dieren’, die op een dag besluiten om de muziekwereld en de rest van de beschaving de rug toe te keren?

Ze nemen een enkele reis Tanzania, terug naar wat zij zien als hun roots. In het Serengeti-park, ‘het landschap van de aanvang’, denken ze al hun frustraties achter zich te kunnen laten door op te gaan in de woeste natuur. De uitkomst is wel erg voorspelbaar: de savanne blijkt wat minder paradijselijk dan gehoopt. ‘Hun voetzolen bloedden, de honger kwam op, en met de honger de angst.’ Het weinig glorieuze vervolg laat zich dan wel raden.

Verbeke’s verhalen zijn niet allemaal even meeslepend of onderhoudend. Ze zijn vaak net te kort en in hun kortheid te ingewikkeld. In het verhaal ‘Aankomstwijk (2)’ figureert een man die Diao Diallo heet en omgeven is door sneue familieleden en dubieuze kennissen. In een onduidelijk Afrikaans land probeert hij vergeefs aan werk te komen. Voordat je enigszins door hebt wie wie is, en hoe het allemaal zit, is het verhaal alweer uit.

Ook de Alzheimerpatiënte in ‘Prins’ krijgt weinig contour. Ze wordt vaagjes getypeerd als iemand die haar leven ‘in een roes van furieuze verontwaardiging, zelfmedelijden en een energiek soort doodsdrift’ heeft doorgebracht. In de resterende zes bladzijden moeten dan het slechte huwelijk van haar dochter, de pratende zorgrobot en de algehele uitholling van ‘de zorgsector’ nog behandeld worden.

Helderziende zuigeling

Een van de mensjes van Verbeke die mij wel bevalt, is de helderziende zuigeling uit het openingsverhaal. Hij drijft zijn ouders tot wanhoop omdat hij vaak en hard moet huilen. Dat doet hij niet omdat hij kramp heeft, of honger, maar uit verdriet. Hij moet steeds opnieuw snikken als hij bedenkt wat hem in het leven allemaal zal ontvallen: ‘melktanden, grootouders, huisdieren, vrienden, massa’s sjaals, mutsen, liefdes, mijn haren’. Ook neemt hij alvast een voorschot op de dood van zijn moeder: ‘Ik zal je missen als een gek, hij ook, al zijn jullie dan allang gescheiden.’

Tegenover deze huilbaby staat, mooi cyclisch, in het slotverhaal een goedgemutste oude dame. Zij heeft geen toekomst meer te duchten en kijkt redelijk tevreden terug op haar leven. Er ging wel eens iets mis, maar ze heeft er geen zootje van gemaakt en er zijn nog altijd mensen die van haar houden. Veel euforischer wordt het niet in Halleluja.