Commentaar

Cyberpolitie node gemist

Een specialistisch team van de Nationale Politie bestrijdt online jihadistische content. Dit team licht het OM in over „mogelijke strafbare uitingen”, zo deelde het kabinet in 2014 mee in het Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme. Gesteld in de tegenwoordige tijd, alsof het om een beschrijving van de realiteit gaat. Dat was dus niet zo. Dit jaar, in 2017 dus, zal de Nationale Politie vijf medewerkers vrijmaken om deze taak op zich te nemen, nadat één medewerker eerder ervaring opdeed bij Europol. Zoiets heet nog net vooruitgang, maar zeker geen ‘actie’.

Vorige week raakte de vorming van deze ‘Internet Referral Unit’ bekend, na het eerste van een serie NRC-artikelen over de aard van de ‘cyberjihad’. Ofwel de manier waarop IS-aanhangers via internet geloofsgenoten, imams en bekende moslims in politiek of bestuur intimideren, bekritiseren, verdacht maken of aanvallen.

Daarbij trekt vooral de groepering ‘Moslims in Dialoog’ de aandacht, hoofdzakelijk omdat ‘dialoog’ er wordt begrepen als mond houden en luisteren. Op zichzelf niet ongebruikelijk in orthodoxe kringen waar het elkaar de maat nemen een belangrijke beleving is van de eigen zuiverheid. Tegen de achtergrond van de oorlog die IS met aanslagen in Europa voert, is zulk gedrag angstaanjagend, ook voor geharde verdedigers van de uitingsvrijheid.

Feitelijk wordt op internet door dergelijke groepen gebalanceerd op de grens van het strafbare opruien en ‘werven voor de strijd’ versus de vrijheid van meningsuiting. Dat evenwicht dient in de eerste plaats te worden bewaakt door moslims zelf – het Actieprogramma stelt dan ook terecht hoge eisen aan Nederlandse imams en moskeeën, die hier dankzij rechtsstatelijke waarborgen kunnen gedijen. Help die dan ook verdedigen.

Haatzaaiers, jihadwervers en andere IS-propagandisten moeten tijdig worden onderkend, tegengesproken, overtuigd en, als dat niet lukt, tegengegaan. Ook op internet. En als zij de grens naar strafbaar gedrag overschrijden, moeten zij worden vervolgd of uitgezet. Dergelijke samenwerking mag ook worden verwacht omdat, zoals het Actieprogramma terecht stelt, dit „extremisten zijn die hun geloof kapen”. De plicht tot preventie rust verder op de beheerders van sociale media die alert moeten zijn op de propaganda die zij kennelijk ongewild verspreiden. De Kamer zou haast kunnen maken met de behandeling van het wetsvoorstel Computercriminaliteit III waarin een ‘notice and take down’-mogelijkheid besloten ligt. Ook de strafrechtspleging wordt hier node gemist – van een vervolging en toetsing van dergelijk gedrag kan een belangrijk signaal uitgaan. Aan het werk dus, met die anti-cyberjihadpolitie.