Zoenadvies

Na een wat onhandig verlopen afspraakje had ik mannenadvies nodig en besloot ik het oudste exemplaar te bellen dat ik ken. Ik: „Hoi pa, wat ben je aan het doen?” Mijn tachtigjarige vader: „Ik kijk naar een eekhoorn.”

„Top. Zeg, heb jij weleens gehad dat je een meisje probeerde te zoenen, maar dat ze de kus afweerde?”

„Nee joh. Als een vrouw geen zin in me had, hield ik de eer aan mezelf. Dan kun je jezelf er wel in hiep-hiep-hoerastemming op storten, maar daar wordt niemand beter van.”

„En stel nou”, probeerde ik, „dat je een meisje probeerde te zoenen maar dat ze per ongeluk haar gezicht afwendde.”

„Dan zou ik me een behoorlijke hansworst voelen.”

„En wat als dat meisje jou stiekem toch leuk vond?”

„Waarom wilde ze dan niet met me zoenen?”

Ik: „Omdat je mij – ik bedoel, dat meisje overviel. Denk je dat die jongen dan het gevoel heeft te zijn afgewezen?”

„Ja natuurlijk. Aan de andere kant kun je beter een blauwtje lopen dan een groentje blijven.”

„En wat ik moet ik nu doen?”

Mijn vader was even stil, ik hoorde zijn hersens – die van zijn generatie zijn een soort stoomgemaal – op volle toeren draaien. En toen zei hij dat ik niet bij hem moest zijn voor zoenadvies.

„Maar je bent mijn vader”, riep ik, „jij hoort mijn Google Plus te zijn!”

„Pip”, zuchtte hij, „We schelen 46 jaar. Ik ben in zo’n andere tijd opgegroeid dan de mannen met wie jij op pad gaat. In mijn jeugd was er continu dreiging: oorlog, honger, armoe, de kerk die je constant in de gaten hield. Je had steeds het gevoel dat er een beer achter je stond. Daar word je behoedzaam van.”

En dus leer je te peilen of een kus op het juiste moment komt.

Ik denk aan de fantastische man die afgelopen zaterdag dankzij mijn snoekduik in de lucht stond te happen. Eigenlijk was zijn voortvarendheid een goed teken, want het betekende dat hij een veilige jeugd heeft gehad zonder Duitse invallen, gepofte tulpen en sinistere pastoors. Ik besefte dat hoe zelfverzekerd je in de liefde bent, te maken heeft met de wereldgeschiedenis: of er tijdens je jeugd een oorlog woedt, of er door geklungel op beurzen opeens een wereldwijde recessie plaatsvindt, of dat je door een benepen gemeenschap in een keurslijf wordt gedwongen.

„Hij had tenminste lef”, zei mijn vader opbeurend. „Hé, ik moet zo ophangen, ik heb je moeder beloofd de strijk te doen voor ik naar de supermarkt ga. Eet fruit en tot later.”

„Dag pa.”

„En wel zoenen, hè,” zei hij nog, “voor je weet zijn het weer andere tijden.”

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
    • Ellen Deckwitz