Column

Knus tafereel

‘Lodewijk, makker, op mijn steun kun je rekenen”, zei ik tegen mijn vrouw. „Hoezo?” vroeg ze, nogal wantrouwig. „Ik citeer het slot van Aboutalebs rede op het congres”, legde ik uit. „Wat had hij anders moeten zeggen?”, vroeg ze. „Lodewijk, makker, als het je niet lukt volg ik je wel op”, probeerde ik. „Flauw”, zei ze, „jij zegt toch ook niet alles wat je denkt?”

Dat was op de eerste dag van het congres van de PvdA. Op de tweede dag waren we uithuizig en konden we pas ’s avonds enkele hoogtepunten alsnog tot ons nemen. Samen op de bank via de iPad van je vrouw naar het congres van de PvdA in Maarssen kijken – veel knusser kan het niet worden in de Nederlandse politiek. Het lijkt me in ieder geval geen tafereel dat je gauw in huize Wilders kunt verwachten.

Eerst besloten we de afscheidsrede van Diederik Samsom te verteren. Veel dankbaarheid, veel opgeheven hoofd, veel trots op de bereikte doelen, veel geweldige vrijwilligers, fractiegenoten en bewindslieden – maar toch ook enige zelfkritiek in zinnen als: „Het is me onvoldoende gelukt om mensen te winnen voor de kracht van het compromis.”

Ik keek opzij en zag aan haar gezicht dat Samsom wéér bezig was haar voor zich te winnen, vooral toen hij Asscher aan het slot uitgebreid prees: „Een van de meest getalenteerde politici die we ooit zagen, en bovendien nog een aardige vent ook.”

„Wat een goede verliezer”, zei mijn vrouw.

Ik vroeg me even af waarom Samsom destijds niet meteen, zonder bloedige broederstrijd, een stap opzij had gezet voor dat zeldzame talent, maar het leek me tactvoller deze gedachte niet met haar te delen. Een goede beslissing, want even later bleek dat zij als Diederik-supporter de diepe wonden nog steeds niet vergeten was.

Asscher was na een halfuurtje uitgesproken en het duurde even voor ik antwoord kreeg op mijn bondige vraag: „En?”

„Een goede rede”, zei ze, waarna ze aarzelde. „Maar je voelt nog niet helemaal de vonk?”, viste ik. Ze knikte. „Maar dat zal ook wel komen”, zei ze, „omdat ik laatst weer de beelden terugzag van hoe hij Diederik afkatte en hoe geslagen die daarop reageerde.”

„Dat is voorbij”, zei ik, en ik verwees naar Samsoms rede. Die vertelde daarin dat hij en Asscher elkaar vorige week diep in de ogen hadden gekeken en dat alles nu weer goed was. Samsom zei zelfs dat hij zich met de overdracht van het partijleiderschap kon verzoenen „omdat ik het aan jou kan overdragen, Lodewijk”. Een zinnetje dat Aboutaleb niet zal bekoren, maar goed, de politiek is hard, net als het gewone leven, trouwens.

„Ik vond dat Asscher in zijn rede Wilders goed aanpakte”, zei ik nog, „maar ik miste het ‘progressieve patriottisme’, zijn stokpaardje.” „Hij kon dat niet goed uitleggen bij Jinek”, zei ze, „misschien gebruikt hij de term niet meer, maar hij blijft wel enorm trots op Nederland.” „Enórm”, knikte ik, „jij toch ook?” „Het ligt er maar aan welk Nederland en welke Nederlanders je bedoelt”, zei ze.

Het zal Wilders en zijn getrouwen misschien een beetje elitair, om niet te zeggen grachtengordelachtig in de oren klinken, maar ik begreep wel wat ze bedoelde. Ik durfde alleen niet te vragen tot welke Nederlanders ze mij rekende. Ja heb je, nee kun je krijgen.