Recensie

Opening Flamenco Biënnale: fenomeen Manuél Liñán en een vlinder op sneakers

Flamenco Biënnale Op het openingsweekend van de Flamenco Biënnale vielen vooral Manuél Liñán en Sara Cano op.

De Madrileense choreografe en danseres Sara Cano in de solo ‘A Palo Seco’ foto Marcos G Punto

Sinds vrijdag de Flamenco Biënnale van start ging, laten felle voetritmes de podia in diverse Nederlandse steden trillen. Het festival breidt dit jaar zijn actieradius zelfs uit tot België: Antwerpen is de achtste plaats waar de voorhoede van de hedendaagse flamenco zich in al zijn verscheidenheid en verschijningsvormen laat zien. Met in het openingsweekend misschien wel als meest opmerkelijke fenomeen Manuél Liñán (36), die de traditionele rolpatronen van de flamenco op de hak neemt in Reversible.

Liñán dankt zijn faam namelijk niet alleen aan, bijvoorbeeld, de enorme snelheden die hij ontwikkelt met zijn ritmisch exacte zapateados (voetroffels), maar ook aan het feit dat hij zich heeft bekwaamd in het manoeuvreren met de bata de cola en de mantón; de lange sleeprok en de omslagdoek die typisch tot de uitrusting van de flamencodanseres behoren.

Lees ook het interview met danseres Rocío Molina: “Ik kan ook als man optreden, of als dier”

Op papier klinkt dat niet bijster interessant – een flamenco drag queen? – maar in de praktijk pakt het fascinerend uit. Liñán oogt verrassend natuurlijk in zijn vrouwelijke uitmonstering. Met zijn vrij gedrongen postuur, inclusief klein buikje, en een stevige, directe stijl hebben zijn bewegingen geen zweempje verwijfdheid. Onwillekeurig ontstaan daardoor associaties met de vele ijzersterke flamencovrouwen, zangeressen zowel als danseressen, die zich soms minder gemaniëreerd voordoen dan hun mannelijke tegenvoeters. Die kunnen in hun vertoon van machismo juist ongelooflijk nichterig overkomen.

Liñáns rolwisseling is bovendien niet campy, maar speels en hooguit licht ironisch. Luchtig zijn ook de duetten met dansers José Maldonado en Lucia Álvarez ‘La Piñona’, waarin kinderspelletjes als touwtje springen en elastiekentwist herkenbaar zijn. De omkering uit de titel is totaal als Liñán met Álvarez danst: hij in bata de cola, zij als flamencoheer. Een uitstekend ensemble met palmas (handritmes), een percussionist, twee gitaristen en twee zangers begeleidt de tamelijk sober vormgegeven voorstelling. Die eenvoud is goed gekozen en biedt de mogelijkheid volledig te focussen op Liñáns krachtige toneelpersoonlijkheid.

De trailer van de Flamenco Biënnale. De tekst gaat verder onder de video.

In de solo A Palo Seco neemt de jonge danseres Sara Cano de toeschouwer mee in haar zoektocht naar nieuwe vormen, een eigen bewegingstaal. Daarin verwerkt zij niet alleen een hedendaagse, min of meer conceptuele benadering, maar interessant genoeg ook elementen uit de Japanse Butoh en Kabuki. Cano zoekt overeenkomsten in de viscerale stijl van de eerste en, concreter, het gebruik van waaiers uit de tweede.

Cano’s eerste soloproject is vrij basaal vormgegeven, in drie delen, drie stijlen, waarin ze zich als een vlinder (twee waaiers sidderend op haar rug) ontpopt tot een eigentijdse danseres met een hybride stijl, dansend op sneakers. Het is allemaal ietwat voorspelbaar en te lang uitgesponnen, maar Cano is als danseres boeiend genoeg.

De bloedlijn die de flamenco verbindt met Indiase dansvormen als kathak en bharatanatyam wordt zichtbaar in Rebel’s Cross van Kalpana Raghuraman. Cano danst hierin ook mee en is onderdeel van een driehoeksrelatie (met dansers Sooraj Subramaniam en Kamala Devam), waarvan de precieze aard in nevelen blijft gehuld.

Ook choreografisch overtuigt Rebel’s Cross niet, mede doordat de mix van stijlen niet erg verrast.