Zuster Aicha: cyberjihadist én UvA-wetenschapper

Sympathie voor de jihad

Onderzoeker van IS-bruiden Aysha Navest sympathiseert op sociale media als ‘Zuster Aicha’ met de gewelddadige jihad. Zelf ontkent ze.

In de zomer van 2014 roept terreurbeweging Islamitische Staat (IS) een kalifaat uit in Syrië en Irak. Tientallen Nederlandse moslims vertrekken erheen. Onder hen ook vrouwen, die geronseld zouden zijn om het moreel van IS-strijders op peil te houden.

Een gebruiker van het forum Marokko.nl maakt zich diezelfde zomer kwaad over deze beeldvorming. Volgens forumlid Ought Aicha, die meerdere vrouwelijke IS’ers zegt te kennen, zijn de vrouwen geen geronselde slachtoffers, maar wilden zij zelf „heel graag” naar Syrië. Berichten dat de vrouwen worden ingezet voor seks, noemt ze „onzin”. Ze zijn volgens het forumlid keurig getrouwd met de strijders. Allah heeft een „immens” grote beloning voor de strijders in petto, schrijft ze.

Twee jaar later brengt de Universiteit van Amsterdam (UvA) een verkennend onderzoek uit dat overeenkomsten vertoont met wat het forumlid hier schrijft. Dat is niet toevallig: het forumlid en de uitvoerder van het onderzoek, zijn één en dezelfde persoon.

Chatting about marriage with female migrants to Syria heet de publicatie die in april 2016 verschijnt in het academische tijdschrift Anthropology Today. Een van de belangrijkste conclusies luidt dat „een substantieel deel” van de vrouwen bij IS zich met liefde overgeeft aan de strikte regels van de terreurorganisatie. De vrouwen willen een normaal, huiselijk leven leiden in het kalifaat en tonen geen interesse in deelname aan de gewelddadige jihad of het maken van propaganda daarvoor, aldus het onderzoek.

Bijdrage aan terreur

Het is een conclusie die op gespannen voet staat met andere onderzoeken naar vrouwen in het kalifaat. Een gezamenlijk onderzoek van de Universiteit Leiden en de UvA stelde eerder vast dat Nederlandse vrouwen bij IS een belangrijke rol spelen in het rekruteren van andere vrouwen. Ook zijn zij lid van brigades die zweepslagen uitdelen. Hetzelfde komt naar voren uit onderzoeken van inlichtingendienst AIVD en van het Europees Instituut voor Veiligheidsstudies. Op basis hiervan gaat het OM ervan uit dat vrouwelijke uitreizigers een bijdrage leveren aan terreurbeweging IS – en dus strafbaar zijn. Het nieuwe UvA-onderzoek kan worden gebruikt in de verdediging van deze vrouwen, bevestigt een advocaat gespecialiseerd in terrorismezaken.

Het onderzoek kan dus voordelig uitpakken voor vrouwen die terugkeren uit het kalifaat. Hoe is het onderzoek eigenlijk tot stand gekomen?

Waar collega-wetenschappers doorgaans de grootste moeite hebben om ook maar één jihadganger te spreken, werd voor dit onderzoek met maar liefst 22 Nederlandse en Belgische vrouwen uit het kalifaat gesproken. Het is te danken aan het netwerk van de eerste auteur van het artikel: Aysha Navest. De junior onderzoeker wisselde via WhatsApp berichten uit met de 22 vrouwen, en verwerkte hun antwoorden samen met Annelies Moors (hoogleraar Hedendaagse Moslimsamenlevingen, UvA) en Martijn de Koning (antropoloog, UvA en Radboud Universiteit) tot deze studie. In een voetnoot wordt Navest omschreven als een „toegewijde moslima”. Ook staat er dat ze met enkele uitreizigsters al contact had voor hun vertrek. Wat niet wordt vermeld, is dat Navest ook zélf sympathiseert met de gewelddadige jihad.

Jihadistische berichten

Navest is actief op het forum Marokko.nl onder de naam Ought Aicha (zuster Aicha). Ze schreef er sinds 2006 ruim 18.000 berichten – een gemiddelde van vijf per dag. Ought Aicha deelt er de geringste details over haar leven, zoals haar geboortedatum, woonplaats en de namen van haar kinderen. Deze persoonlijke gegevens komen overeen met die van wetenschapper Aysha Navest. NRC legde een aantal berichten, maar niet de gewraakte, voor aan collega’s. Die bevestigden, na het aan Navest te hebben gevraagd, dat de berichten door haar zijn geschreven. Zelf wil zij niet ingaan op de vraag van NRC of het account van haar is. Ze wil alleen per mail kwijt dat ze de gewelddadige jihad niet ondersteunt.

Haar account Ought Aicha suggereert iets anders. Op het forum schrijft ze over IS-strijders: „Ik sta er versteld van dat mensen, moslims notabene, deze broeders zo durven te criminaliseren.” Als twee Haagse jihadronselaars in 2014 worden opgepakt: „Moge Allaah hen snel bevrijden”. Op het bericht dat een IS-strijder een zelfmoordaanslag heeft gepleegd: „Ik ga uit van het goede, waardoor ik vermoed dat hij alleen shia en murtaddin heeft gedood”. Daarmee bedoelt ze afvalligen en shi’ieten – waar ze toch al niet veel van moet hebben. Shi’ieten zijn in haar ogen „mensen die onze vrouwen verkrachten, mannen martelen en onze kinderen om zeep helpen”, schrijft ze op Facebook. Terrorist Osama bin Laden roemt ze voor de strijd die hij leverde „om onze moslimgemeenschap te beschermen”. Zo zijn nog diverse andere berichten te kwalificeren als jihadistisch.

Geen openheid

Volgens de gedragscode van de Vereniging van Universiteiten moeten wetenschappers onafhankelijk en onpartijdig opereren. Is dit het geval, wanneer een onderzoeker van IS tegelijk sympathieën koestert voor IS?

Mede-auteurs Annelies Moors en Martijn de Koning zeggen dat hun gedurende het onderzoek „niets is gebleken van mogelijke vooringenomenheid” van Navest. Maar al zóu de onderzoekster een mening hebben over haar onderzoeksgroep, dan zou dit volgens Moors en De Koning haar onderzoek niet diskwalificeren. „Er zijn talloze voorbeelden van gevestigde antropologen die ideologisch nauw betrokken zijn bij hun onderzoeksgroep of die zelf deel uitmaken van de onderzoeksgroep.”

We leggen collega-wetenschappers de vraag voor of je als jihad-sympathisant wetenschappelijk onderzoek kunt doen naar het kalifaat. „Een onderzoeker mág sympathie hebben voor de groep die hij of zij onderzoekt”, zegt antropoloog Thijl Sunier (Vrije Universiteit). „Je moet dan wel heel transparant zijn over je methode, en over hoe je vragen zijn gesteld. Ook moet intern duidelijk zijn wie je informanten zijn, om te voorkomen dat je de boel belazert.” Arabist Jan Jaap de Ruiter (Universiteit Tilburg): „Als je een IS-sympathisant onderzoek laat doen naar IS, loop je het risico op een slager die zijn eigen vlees keurt. Hoe weet je zeker dat zo iemand geen selectie pleegt in de antwoorden die hij of zij ontvangt?” Hoogleraar culturele antropologie Ton Robben (Universiteit Utrecht) hamert eveneens op openheid. „Je bent extra kwetsbaar als je sympathie hebt voor je onderzoeksgroep, dus je moet in zo’n geval maximaal transparant zijn.”

Die openheid wordt in de UvA-studie niet geboden. Er wordt niet gerept over sympathieën van de onderzoekster. Ook is niet bekend welke vragen de 22 vrouwen kregen voorgelegd. Hun identiteit is evenmin bekend – óók niet bij de onderzoekers zelf. „Persoonsgegevens van onze gesprekspartners mogen en kunnen wij niet vastleggen, aangezien we in onze onderzoekaanvraag hebben toegezegd al het materiaal volledig anoniem te houden, en zelfs niet naar namen te vragen”, aldus Annelies Moors.

Niet erg geloofwaardig

Het is dus niet te verifiëren of de gesprekspartners zich inderdaad in IS-gebied bevonden, en of het inderdaad om 22 verschillende vrouwen ging. „Zeer ongebruikelijk”, oordeelt Jan Jaap de Ruiter. „Hoe kun je dan controleren of die onbekende vrouwen waarmee je whatsappt, wel écht aan de andere kant van de lijn zaten? En als dat al zo zou zijn, of ze niet gecontroleerd werden door hun mannen?” Emeritus hoogleraar Arabisch Ruud Peters (Universiteit van Amsterdam) vindt ook dat de identiteit van de informanten had moeten worden vastgesteld: „Onderzoek moet reproduceerbaar zijn.” Hoogleraar Robben: „Bronnen moeten intern bekend zijn om fraude te voorkomen.”

Het Openbaar Ministerie laat weten dat de UvA-studie, in tegenstelling tot andere studies over jihadgangers, niet gebruikt zal worden in onderzoeken naar jihadgangers. „Wij denken dat deze publicatie slechts zeer beperkt van betekenis is”, aldus een woordvoerder van het OM. „De conclusies zijn uitsluitend gebaseerd op wat een aantal vrouwelijke uitreizigers zelf vertelt, en dat vinden wij niet erg geloofwaardig. Er kunnen namelijk redenen voor hen zijn om de situatie zonniger voor te stellen dat het in werkelijkheid is.”

Het bestuur van de UvA laat desgevraagd weten dat de gebruikte methode door externe deskundigen zal worden bekeken.