Het frivole Ajax-debuut van een vrolijk ventje

PEC Zwolle-Ajax Justin Kluivert debuteerde voor Ajax in het duel met PEC Zwolle. De zoon van Patrick Kluivert speelde zonder schroom.

Hakim Ziyech en debutant Justin Kluivert (rechts), zoon van oud-international Patrick, vieren de 2-0 van Ajax op bezoek bij PEC Zwolle. Foto ANP Pro Shots

Als voormalig Oranjetopscorer Patrick Kluivert zijn zoon een wijze raad meegeeft, zegt hij volgens zijn zoon meestal hetzelfde. „Wees giftig.” Daarmee benadrukt hij dat de zeventienjarige aanvaller van Ajax zijn intuïtie moet volgen, zich niet moet laten weerhouden door imposante opponenten en lekker moet voetballen zoals hij dat ook deed bij de junioren van Ajax. Bondig samengevat: ken geen angst, zaai het.

Met die woorden in zijn achterhoofd kende Justin Kluivert geen schroom toen hij zondagmiddag debuteerde in Ajax 1. Alles ging vanzelf. Ook het hoogtepunt van zijn spel, nadat de uitwedstrijd tegen PEC Zwolle reeds 54 minuten had geduurd en hij vijftien minuten had meegespeeld na zijn invalbeurt voor Amin Younes.

De wedstrijd tot dan toe: veel onnodig balverlies en futloos gepriegel. Totdat een beroemde voetbaltelg van zich deed spreken. Het mannetje trok speels naar binnen, schudde enkele houterige mandekkers van zijn frêle lijf en verstuurde een steekpass die indirect leidde tot het openingsdoelpunt van Ajax. Ontvanger Anwar El Ghazi werd neergehaald, waarna Lasse Schöne Ajax vanaf de stip op voorsprong schoot. Kluivert had op dat moment graag zijn eerste doelpunt voor Ajax gemaakt. „Ik vroeg aan Anwar of ik de bal mocht nemen”, vertelde hij na afloop. „Maar die zei dat ik bij Schöne moest zijn. Aan hem durfde ik het nog niet te vragen.”

Niettemin was duidelijk wiens verdienste dit doelpunt was: die van Kluivert. Een klein, vrolijk ventje dat met deze actie reacties zou opwekken die zo voor de hand liggen dat er misschien wel een kern van waarheid in schuilt. ‘Die heeft het niet van een vreemde.’ ‘De genen van zijn vader.’

Klopt het? Daarover later meer. Eerst die onvermijdelijke vraag in Zwolle. Aan een jongen die nu nog veel te aardig is om te zuchten als verslaggevers hem vragen hoe het is om de zoon van Patrick Kluivert te zijn. „Dubbel”, bekent hij. Enerzijds is er de trots. Hij is weliswaar van 1999, maar hij weet maar al te goed dat het zijn vader was die Ajax in 1995 met een listig puntertje de Champions League bezorgde. Als eerbetoon koos hij nummer 45. Het oude van zijn vader, negen, was weliswaar bezet, maar vier plus vijf is evengoed negen.

De andere kant? „Dat het altijd over hem gaat. Dat ik altijd met hem wordt vergeleken.”

Een herkenbaar antwoord. Wim Anderiesen junior, Ajax-speler in de jaren vijftig en zestig, vond het vooral een last om zoon te zijn van de gelijknamige verdediger die voor de oorlog bij Ajax voetbalde. Omdat hij werd vergeleken met iemand die al was gestopt. „Dan overheerst altijd de herinnering aan het goede”, zei hij in het jubileumboek van Ajax. Diens minpunten waren allang vergeten. Beter worden dan zijn vader? Vergeet het maar, zei zijn coach.

Profvoetballers met beroemde voetbalvaders zijn talrijk. Ronald en Ronald Koeman junior, Danny en Daley Blind, Harry en Daley Sinkgraven, Johan en Jordi Cruijff, Hans Kraaij senior en Hans Kraaij junior. De ene telg werd succesvoller dan de ander, maar wat hen bindt is dat hun carrières nooit op zichzelf kunnen staan en ze in elk interview een vraag krijgen die gerelateerd is aan de carrière van hun vader. Tegen wil en dank. Toen Ronald Koeman junior vorig jaar met FC Oss tegen Feyenoord speelde, de oude club van zijn vader, werd de doelman twaalf keer geïnterviewd. Na dat twaalfde gesprek, zei hij, vond hij het wel even goed.

Wat meespeelt is dat hij op zijn vader lijkt. Zoals Justin Kluivert een jonge kopie is van de begenadigde spits die 79 duels in het Nederlands elftal speelde. Maar anders dan hun uiterlijk kent hun spel minder overeenkomsten. Patrick Kluivert was een afmaker in de punt, Justin is een buitenspeler die doelpunten voorbereidt. „Ik ben goed in één-op-één-duels, in voorzetten”, verklaart hij zelf. Zijn vader scoorde bij zijn debuut, hijzelf werd beroofd van een assist door de overtreding op El Ghazi.

Kenners zagen dit debuut allang aankomen. Als vijftienjarige ondertekende Justin Kluivert al een contract bij Nike, terwijl hij als speler van de B1 een doelpunt tegen Feyenoord maakte dat deed denken aan de legendarische solo van Zlatan Ibrahimovic als Ajax-spits tegen NAC. Het doelpunt ging het internet over en zijn naam snelde vooruit. Dat werd een grote. Logisch, hij was de zoon van Patrick Kluivert.

Maar wetenschappers hebben het al vaak benadrukt: een specifiek voetbalgen bestaat niet, evenmin als een gitaargen of handbalgen. Uit onderzoek van hoogleraar neurowetenschappen Danielle Posthuma is gebleken dat 51 procent van het talent kan worden verklaard door genetische factoren en 49 procent door omgevingsfactoren. Ja, Mozart had talent. Maar werd hij niet omringd door begaafde musici, dan was het onwaarschijnlijk dat hij beroemde symfonieën had gecomponeerd. Doordat Kluivert junior opgroeide in een voetbalgezin, kon hij zijn talent benutten. Hoewel hij evengoed de genen had kunnen hebben van voorouders zonder voetbaltalent. Zijn opa Kenneth, vader van Patrick, was postbode.

In Amerika ging Frank Sinatra junior de bühne op met de hits van zijn vader. Dat leverde vooral tragiek op. Altijd werd benadrukt dat hij nooit beter dan zijn vader zou worden. Beste oplossing? De vergelijking niet opzoeken. Of, in Kluiverts geval: „Gewoon lekker voetballen. Genieten.”