Succes kabinet is niet louter dat van Dijsselbloem zelf

De opdracht was eenvoudig: het begrotingstekort moest omlaag. Dat lukte, al waren er die vonden dat het kabinet het land ‘kapot bezuinigde’.

Foto ANP / Bart Maat

Vraag Jeroen Dijsselbloem naar het door hem gevoerde begrotingsbeleid in de afgelopen jaren en hij zoekt een blocnote. Dan tekent hij het graag even voor. Hij trekt, met niet al te vaste hand, een paar lijntjes, wat getallen en een arcering. Dit is het plaatje dat de minister van Financiën steeds aan zijn collega’s in het kabinet voorhield als zij om geld kwamen vragen. De tekening geeft een ruwe schets van de begrotingsruimte. „Dit is de ruimte die ik heb”, zei Dijsselbloem dan, terwijl hij op het gearceerde vlak wees. „Meer is er niet.”

De rekensom was daarbij betrekkelijk eenvoudig – evenals de opdracht die het kabinet bij het aantreden in november 2012 had. Het begrotingstekort dreigde voor het vierde achtereenvolgende jaar ver boven de Brusselse begrotingsnorm van 3 procent uit te komen. Dat móest omlaag.

„De schatkist op orde brengen”, werd het mantra van Rutte II. Dat vergde allereerst forse bezuinigingen – in het regeerakkoord een ‘pakket’ van 16 miljard euro, in het Herfstakkoord nog eens 6 miljard extra.

Het waren vooral VVD-ministers die hun hand ophielden

Al in het eerste volle kalenderjaar had het ingezette beleid succes. Het tekort, in euro-jargon het ‘EMU-saldo’, dook onder die akelige 3 procent, de harde rode lijn die Dijsselbloem inmiddels als voorzitter van de eurogroep zelf diende te bewaken. Aan het eind van de rit (dit jaar) zullen de inkomsten en uitgaven van het rijk precies in balans zijn, zo voorspelde het CPB onlangs. Een begrotingsevenwicht! De droom van elke minister van Financiën in crisistijd.

Zo bezien heeft het kabinet haar eerste en belangrijkste opdracht volbracht: de overheidsfinanciën zijn weer gezond. Het is niet gezegd dat dat louter te danken is aan het ingezette zuinige begrotingsbeleid. Voor een belangrijk deel is de schatkist afhankelijk van externe macro-economische omstandigheden. Aantrekkende wereldhandel levert meer export op. Bedrijven kunnen weer meer investeren en mensen aannemen. Dat leidt tot minder werkloosheidsuitkeringen en meer belastingopbrengsten.

Discussie over ‘kapot bezuinigen’

Bij de zware hervormingsmaatregelen die het kabinet – en ook het vorige trouwens – aankondigde, brak geregeld discussie uit over de vraag of het land niet werd ‘kapot bezuinigd’. Hogere belastingen en lagere uitkeringen leiden immers tot minder koopkracht. Nu gingen er de laatste jaren gemiddeld ruim 9.000 bedrijven failliet, maar kapot bezuinigen suggereert dat het land zelf bankroet is gegaan. Dat is ook weer overdreven. Econoom Bas Jacobs stelde, in een interview in NRC kort na Prinsjesdag, dat het gevoerde begrotingsbeleid sinds 2011 voor 5 tot 6 procent minder economische groei had gezorgd. Inmiddels ligt de economische groei weer stabiel rond de 2 procent. Volgens Jacobs had die zonder bezuinigingsbeleid dus aanzienlijk hoger kunnen zijn. Daarmee heeft de overheid zich in de eigen voet geschoten. Meer economische groei levert immers vanzelf gezondere overheidsfinanciën op.

Terug naar de grafiek van Dijsselbloem. Elke keer als de macro-economische cijfers herstel aangaven – eerst heette dat ‘broos’ te zijn, later ‘bestendig’ – of als er financiële meevallers waren, vroeg zo’n beetje elke bewindspersoon direct om meer geld. Dijsselbloem trok dan zijn lijntjes en liet zien welke ruimte er precies was: elk procenpuntje ónder het uitgestippelde, al dalende begrotingstekort betekende grofweg 6,5 miljard euro méér te besteden. De laatste twee jaar deelde het kabinet al behoorlijk wat uit – in 2016 het 5 miljardpakket aan lastenverlichting en dit jaar nog eens ruim 1,2 miljard voor onder meer zorg en politie. Maar eigenlijk wilde Dijsselbloem al eerder „naar de nul”, naar een begrotingsevenwicht. Want ook al is een tekort van rond de 2 procent in Europees perspectief erg netjes, de overheid geeft dan nog altijd méér geld uit dan er binnenkomt.

Bij menig begrotingsoverleg moest Dijsselbloem gniffelen. Het waren immers vooral VVD-ministers die hun hand ophielden (defensie, veiligheid, infrastructuur). En zijn het niet de liberalen die altijd hard roepen om zuinigheid, een lage staatsschuld en een kleinere overheid? Dijsselbloem: „Nou, daar heb ik ze de afgelopen vier jaar niet over gehoord.”

    • Philip de Witt Wijnen