Column

Snoskommer

Column Georgina Verbaan laat in gedachten keer op keer haar gebalde vuisten in iemands gezicht landen

Een wandeling in de buitenlucht. Dat is misschien wel een goed idee. Ik krijg het gevoel dat de katten dat ook wel even rustig zouden vinden. Want vanwege mijn geijsbeer wordt er steeds minachtend naar me opgekeken vanuit het mandje waarin ze graag met hun kop in de nabijheid van het kontgat van de ander liggen om zo nu en dan te flemen. Wanneer katten flemen dan ruiken ze met hun mond. Ze kijken dan plots op met de bek wijd open alsof iemand ze iets geks verteld heeft. Iets dat zo schokkend, ongeloofwaardig en goor is dat ze al hun overbodige functies, zoals het sluiten van de bek of het knipperen met de ogen, moeten pauzeren om met de resterende kracht hun wereldbeeld weer rechtovereind te duwen. Maar waarschijnlijker is dat die twee rotzakjes op gezette tijden elkaars aarslucht analyseren om na te gaan of de ander gister misschien wél zo’n staafje gedroogd vlees gekregen heeft van mij.

Dergelijke gedachten overvallen mij uitsluitend wanneer ik het gevoel heb dat mij onrecht aangedaan wordt

Ja, naar buiten voor een kalmerende wandeling. Dat moet ik maar eens doen. Want ik ben een beetje boos. En als ik zeg dat ik een beetje boos ben dan bedoel ik dat ik in gedachten keer op keer mijn gebalde vuisten in iemands gezicht laat landen met een snelheid van zo’n 150 kilometer per uur tot de tanden eruit kletteren als parels van een losgeknipte ketting, en de groene klodders snoskommer in het rond vliegen. Want dat is wat er in gedachten uit dat hoofd komt. Snoskommer. De walgzame groente die Roald Dahls vegetarische GVR vanwege zijn idealen gedwongen is te eten. Een groot komkommerachtig gezwel met schubben en ruwe knobbels dat stinkt en smaakt naar verrotting, kikkervelletjes en slijmsloebers. Waar pus uit druipt, wat om te kotsen is.

Dergelijke gedachten overvallen mij uitsluitend wanneer ik het gevoel heb dat mij onrecht aangedaan wordt en ik niet bij machte ben daar iets aan te veranderen, of er zelfs maar iets van te zeggen. Een gekmakend gevoel. Toen ik eens bij Pauw zat om over mijn columns te praten, werd mij verweten, of in ieder geval medegedeeld, dat men mij verrassend agressief vond. Men had mij een column laten voorlezen waarin ik een taxichauffeur vermoord met een bloempot en zijn lijk drapeer over het sloophouten tuinbankje van de buurvrouw. Een gedachte-experiment waarin ik kort verdwaald was geraakt nadat de man te vroeg en te monter bij mij had aangebeld en ook nog het woord ‘goeiesmorgens’ had gebezigd. In het echt had ik natuurlijk gewoon „Goeiemorgen, ik kom eraan” gezegd tegen die meneer. En ook tegen de dief met het snoskommerhoofd zal ik me vanwege omstandigheden betamelijk moeten gedragen.

Vorige maand zag ik een interview met Joan Didion, en ik las erover. Haar frêle voorkomen werd opgemerkt en tegenover haar agressieve, sinistere schrijfstijl geplaatst. Dat zal een man niet snel overkomen. „It’s the only aggressive act I have”, zei ze over schrijven. (Ik kocht direct al haar boeken en in een volgend leven ga ik alle boeken die ik koop ook echt direct lezen.) En zo is het natuurlijk. Want je doet het niet, iemand tot pulp slaan. Je schrijft erover en dan ga je wandelen. Flemend.