Peilingen mijden? Nee, ze beter leren interpreteren!

Met nepnieuwtjes is het net als met kinderwagentjes, of fietsers die op een bekende lijken – als je erop gaat letten, zie je ze overal.

Opiniepeilingen – met hun combinatie van twee explosieve ingrediënten: feiten óver meningen – liggen dan al helemaal snel in de vuurlinie: nep!

Na de zege van Trump buitelden media over elkaar met zelfkritiek en verwijten aan het adres van opiniepeilers: wat hadden die er naast gezeten! NOS, RTL en de Volkskrant gaven te kennen voortaan vooral nóg voorzichtiger met peilingen te willen omgaan. Motto: één peiling is géén peiling.

Ook NRC bracht een verhelderend stuk (Peilingen, dat zijn dus geen voorspellingen, 28 november) met een kader vol goede voornemens: geen losse peiling meer als nieuws brengen, altijd de omvang, opzet en foutmarge van een peiling melden. Mooi transparant.

Maar waren de peilingen wel zo slecht? Of begrepen de heren en dames ze verkeerd, als statistische leken? En wat zou dat moeten betekenen voor de komende Nederlandse verkiezingen?

Over Amerika lopen de meningen nog uiteen. Althans, NRC-redacteur Dick van Eijk, socioloog van opleiding, gaf in een stuk op De Nieuwe Reporter een mooie aanzet tot enig statistisch flagellantisme. Want met de popular vote zaten de peilingen om te beginnen vrij goed, zelfs beter dan vorige keer. In het gemiddelde van de peilingen lag Clinton 3,3 procentpunt voor; ze won uiteindelijk met 2,1 procentpunt. De peilers zaten er, samen, dus maar 1,2 procentpunt naast, minder dan in 2012.

Bovendien, Trump mag dan volgens de peilingen een (veel) kleinere kans hebben gehad om te winnen dan Clinton, maar, schrijft hij, „gebeurtenissen met een kleine kans kunnen gewoon plaatsvinden”. Ten slotte waren de verschillen in de vier sleutelstaten heel klein. Daar werd de zaak beslecht door in totaal iets meer dan 100.000 stemmen, minder dan 0,1 procent van alle uitgebrachte stemmen. Kortom: journalisten spelen graag Hegel, om de mars van de geschiedenis te kunnen zien, maar toeval speelt ook een rol.

Op het niveau van de vier swing states ging het wel degelijk „gruwelijk mis” met de peilingen, houdt daarentegen statisticus Manfred te Grotenhuis van de Universiteit Nijmegen vol, in een analyse op de site Stuk Rood Vlees. Hij trok een groot aantal aselecte steekproeven uit alle in die staten uitgebrachte stemmen. Wat bleek: de kansverhoudingen waren precies omgekeerd dan uit peilingen naar voren was gekomen: 70 procent kans voor Trump, 30 voor Clinton. Nog lang geen gelopen race, maar wel een frappant verschil.

Maar wat zegt dat over Nederland?

Een zaal vol journalisten en peilers was het er donderdag in Den Haag over eens dat het hier bij de komende verkiezingen allemaal niet zo’n vaart zou lopen: niet alleen is het Nederlandse systeem onvergelijkbaar met dat in de VS, maar de journalisten en peilers bleken ook behalve wat kritiek vooral veel waardering voor elkaar te hebben.

Terughoudendheid, was ook in die zaal het devies. Géén losse peilingen melden, maar letten op trends en de langere termijn. Eén of twee zeteltjes erbij in een dagpeiling is geen nieuws.

Verstandig. Maar twijfel knaagt wel.

Want allereerst, zoals enkele aanwezigen sceptisch vroegen, hoe lang houdt zulke nuance stand in de hitte van de campagne en onder druk van de concurrentie? Zo niet de waarheid, dan is toch terughoudendheid vaak het eerste slachtoffer van oorlog in de media. ‘Losse’ peilingen suizen toch wel rond op sociale media – en probeer dan maar eens, zodra ze trending zijn, je gezicht in een terughoudende plooi te houden.

Kortom, terughoudendheid klinkt vroom, maar is zonder nadere exegese vooral gratis religie. Belangrijker dan peilingen per definitie te wantrouwen of zelfs te mijden, lijken me eerder een grote deskundigheid in de interpretatie ervan en een andere houding ten opzichte van verwachtingen.

The New York Times heeft zoiets zelfs vastgelegd in haar journalistieke catechismus over omgang met peilingen: „Verslaggeving over peilingen verschilt niet van die over andere informatie die we lezers geven. Peilingen moeten grondig worden onderzocht, zowel op kwaliteit in de uitvoering als op vertekening in de vraagstelling en conclusies. Slechte peilingen uit de krant houden is net zo belangrijk als berichten over goede.”

Amen, en: ga er maar aan staan.

Wat daarbij zou kunnen helpen, met name bij keuzes die niet op een simpel ja of nee neerkomen (referendum) of een uit twee kandidaten (zoals in Amerika): versmal niet alles tot een titanengevecht tussen koplopers, in de hoop op een ongetwijfeld bloeddruk (en kijkcijfers) verhogende ‘nek-aan-nekrace’.

En nog iets: in hun hang om het gesprek van de dag te bepalen, hebben media sterk de neiging gekregen vooruit te kijken, naar het nieuws van morgen. Dat leidt, in de woorden van een NRC-veteraan, tot ‘speculyse’, een mix van analyse, verwachtingen en speculatie. Als de dag van morgen eenmaal aanbreekt, is het gesprek van gisteren dan vaak alweer een verre echo.

NRC betaalde er leergeld mee bij de Britse verkiezingen van 2015, toen de krant op de dag van de verkiezingen chaos voorspelde in een voorpaginastuk met ‘zes scenario’s’ op basis van peilingen. Een dag wachten was beter geweest, want het werd een zevende scenario: de Conservatieven wonnen.

Vóór de Brexit was die les geleerd en waagde de krant zich niet aan zo’n exercitie. De correspondent had de trend in de gaten: groeiende steun voor een ja.

Verkiezingen interpreteren gaat nu eenmaal het best als er een uitslag is – en die dan graag met alle toeters en tabellen erbij. Uitleggen en duiden wat er gisteren is gebeurd, is voor lezers relevanter dan vertellen wat je denkt dat er morgen gaat gebeuren.

Reacties: ombudsman@nrc.nl